Hieronder vindt u onze nieuwsberichten van het jaar 2017-2018:


WBSO 2018

Er is in 2018 € 1.163 miljoen beschikbaar voor de WBSO (Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk) en brengt de volgende financiële voordelen met zich mee.

Voordeelpercentages voor bedrijven:

• De bovengrens van de 1e schijf van S&O-loonkosten blijft € 350.000,-.
• Het percentage van de 1e schijf blijft 32%.
• Het percentage van de 2e schijf wordt verlaagd van 16% naar 14%.
• Het percentage van de 1e schijf voor starters blijft 40%.

WBSO aanvragen
Voor 2018 dient u voor het indienen van de WBSO-aanvraag van 2018 te kiezen tussen forfaitair berekening of het daadwerkelijke bedrag aan kosten en uitgaven voor R&D. Indien u kiest voor forfaitair bedrag is het aantal WBSO-uren van belang. Het forfait bedraagt € 10,- per WBSO-uur (tot een maximum van 1.800 WBSO-uren per jaar) plus € 4,- per WBSO-uur voor overige WBSO-uren.

Kiest u voor de optie R&D-kosten en uitgaven zoals in 2017 dan dient u een administratie van de gemaakte kosten en uitgaven bij te houden.

De WBSO-afdrachtvermindering kunt u als volgt berekenen:
(WBSO-uren x WBSO-uurloon) + (forfaitair bedrag of begrote kosten en uitgaven) x bovenstaande percentages.

Vrijstelling energiebelasting voor chemische reductie, elektrolytische en metallurgische procedés

(Bron: Wet belastingen op milieugrondslag, 31 juli 2017)

De Wet belastingen op milieugrondslag maakt het voor bedrijven mogelijk om vrijstelling van energiebelasting te verkrijgen voor elektriciteit die wordt gebruikt voor chemische reductie, elektrolytische en metallurgische procedés en voor aardgas dat wordt gebruikt voor metallurgische procedés. Het elektriciteits- en aardgasverbruik voor objecten, die geen directe relatie hebben met genoemde procedés, zoals bijvoorbeeld kantoorgebouwen en magazijnen, valt niet onder deze vrijstelling.

Als metallurgische procedés worden in de wet aangemerkt:

  1. de vervaardiging van metalen in primaire vorm
  2. smeden, persen, stampen en profielwalsen van metaal
  3. oppervlaktebehandeling bestaande uit harden of warmtebehandeling van metalen

De omstandigheid dat een procedé waarbij metaal wordt bewerkt, niet onder het begrip ‘metallurgisch procedé’ valt, sluit niet uit dat sprake is van een elektrolytisch procedé. Dat is bijvoorbeeld het geval bij het galvaniseren, anodiseren, verchromen, vernikkelen, plateren en verzinken van metalen. In zulke gevallen is de vrijstelling voor elektrolytische procedés van toepassing.

Contact: Wilt u graag vrijblijvend informatie of heeft u vragen over uw vrijstelling m.b.t. energiebelasting voor chemische reductie, elektrolytische en metallurgische procedés, dan kunt u contact opnemen met Sandra van de Graaf op telefoonnummer: 030 – 251 19 42 of via e-mail: s.vandegraaf@lindersconsultants.nl

Rechtsgebied: Belastingrecht

(Bron: Rechtspraak.nl: 02-05-2017)

 In geschil is de vraag of belanghebbende terecht is ingedeeld in sector 3, Bouwbedrijf.

 GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-16/00299

Uitspraak d.d. 20 april 2017

in het geding tussen:

[X] B.V., gevestigd te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Midden- en kleinbedrijf/kantoor Amsterdam, de Inspecteur,

op het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Inspecteur van 9 mei 2016, nummer RK/2016/26/SA, betreffende de onder 1.1 vermelde beschikking.

Beschikking en bezwaar

1.1. Bij de in het kader van de sectorindeling voor werknemersverzekeringen gegeven beschikking van 14 februari 2016, nummer […] , heeft de Inspecteur belanghebbende met ingang van 1 januari 2016 ingedeeld in sector 45, Zakelijke Dienstverlening III (hierna: de beschikking).

1.2. Bij de uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar gegrond verklaard en de sectorindeling gewijzigd in sector 3, Bouwbedrijf.

Loop van het geding in beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak op bezwaar in beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 503 is geheven.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. De eerste mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 16 november 2016, gehouden te Den Haag. Partijen zijn aldaar verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2.4. De Inspecteur is, gelet op het ter zitting verhandelde, in de gelegenheid gesteld opnieuw onderzoek te doen bij belanghebbende en het Hof te informeren over de uitkomsten van dat onderzoek. Het Hof heeft op 30 december 2016 de uitkomsten van voormeld, nader onderzoek ontvangen. Op 19 januari 2017 ontving het Hof van belanghebbende het verzoek om een tweede mondelinge behandeling.

2.5. De tweede mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 9 maart 2017, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

3.1. Belanghebbende, een besloten vennootschap, exploiteert sinds 1 januari 2016 volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel een aannemersbedrijf op het gebied van tuinen, bestratingswerk, grondwerkzaamheden en rioleringen en holdingactiviteiten. De enig aandeelhouder en tevens enig bestuurder is [Y] Holding B.V. (hierna: de Holding). Enig aandeelhouder en tevens enig bestuurder van de Holding is de heer [Y] .

3.2. Vóór 1 januari 2016 werd de onderneming door een vennootschap onder firma gedreven (hierna: de v.o.f.). Voor de premieheffing werknemersverzekeringen was de v.o.f. ingedeeld in sector 1, Agrarisch bedrijf. Per 1 januari 2016 heeft belanghebbende de activiteiten en het personeel overgenomen van de v.o.f. De aard van de werkzaamheden is onveranderd gebleven.

3.3. Belanghebbende heeft in de periode van 1 januari t/m 30 november 2016 als werkgever premieplichtig loon betaald volgens onderstaand overzicht:

Naam werknemer Premieloonsom

[A] . € 26.544,59

[B] € 236,00

[C] . € 2.162,00

[D] . € 7.744,15

[E] . € 6.246,13

TOTAAL € 42.932,87

3.4. De Inspecteur heeft belanghebbende bij beschikking van 14 februari 2016 ingedeeld in sector 45, Zakelijke Dienstverlening III. Hiertegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. In het bezwaarschrift is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“Hierbij maak ik bezwaar tegen de sector indeling 45 met als reden dat ik het formulier per ongeluk niet juist heb ingevuld.

[De v.o.f.] met loonheffingennummer: (…) is gewijzigd in een BV [belanghebbende] met loonheffingennummer (…) en tevens is er een Holding opgericht met fiscaal nummer (…), deze heb ik ook niet goed ingevuld.

[Belanghebbende] heeft exact dezelfde activiteiten als [de v.o.f.], hovenier, dus sector 01, en moet dus deze sector krijgen.

De nieuwe Holding betreft Holdingsactiviteiten, hier heb ik nog geen beschikking voor ontvangen, maar mijn vermoeden is dat deze ingedeeld wordt als hovenier in plaats van Holding omdat ik deze ook niet goed heb ingevuld.”

3.5. Naar aanleiding van het tegen de beschikking gemaakte bezwaar heeft de Inspecteur een onderzoek verricht. In het van het onderzoek uitgebracht ‘Rapport inzake een indelingsonderzoek’ (hierna: het rapport), gedagtekend 3 mei 2016, is onder meer het volgende vermeld:

4.2 Bevindingen uit eigen onderzoek

(…)

Ten tijde van het onderzoek deelde de heer [F] en mevrouw [G] desgevraagd het volgende mede.

Kernactiviteiten van het bedrijf zijn het aannemen en uitvoeren van de aanleg van tuinen, het uitvoeren van onderhoud aan tuinen, het aannemen en uitvoeren van bestratingswerkzaamheden, het aannemen en uitvoeren van rioleringswerkzaamheden.

Het aanleggen en onderhoud van tuinen is seizoengebonden en vindt in de regel plaats tussen april en september.

4.3 Omzet

Aan de hand van de uitgaande facturen is door mij de omzet over de periode 1 januari 2016 tot en met 26 april 2016 in beeld gebracht middels onderstaand overzicht.

2016 Civieltechnisch Cultuurtechnisch Leveringen Reiniging Totaal
Totalen 208.866,00 16.756,05 17.925,35 51,00 243.598,40
Procentueel 85,74% 6,88% 7,36% 0,02% 100,00%

De omzet vermeldt onder de rubriek ‘civieltechnisch’ heeft betrekking op het uitvoeren van bestratingswerkzaamheden, grondwerkzaamheden, het uitvoeren van rioleringswerkzaamheden. De omzet is exclusief de levering van materialen; deze is vermeldt onder de rubriek ‘leveringen’ voor zover dit in de factuur was gespecificeerd. De omzet vermeldt onder de rubriek ‘cultuurtechnisch’ heeft betrekking op het aanleggen van tuinen, onderhoud aan tuinen, het aanbrengen van beplantingen. De omzet is exclusief de levering van materialen; deze is vermeldt onder de rubriek ‘leveringen’ voor zover dit in de factuur was gespecificeerd. De omzet vermeldt onder de rubriek ‘leveringen’ heeft betrekking op geleverde producten zoals bestratingsmateriaal, grond, zand, cement, pvc-rioleringspijp, planten en bomen.

De omzet vermeldt onder de rubriek ‘reiniging’ heeft betrekking op het doorspuiten van riolen.

Over 2016 is aan werk derden een bedrag toe te rekenen van € 113.117,36 zijnde 46,44% van de totale omzet.

(…)

Onderstaand de omzet op basis van het toegepaste OB-tarief. De omzet over 2015 is

vastgesteld aan de hand van de namens werkgever aangeleverde audit file. Deze omzet is gerealiseerd door de rechtsvoorganger [de v.o.f.].

2016 BTW-verlegd BTW-hoog BTW-laag Totaal
Totalen 97.177,05 146.266,10 155,25 243.598,40
Procentueel 39,89% 60,04% 0,06% 100,00%
2015 BTW-verlegd BTW-hoog BTW-laag Totaal
Totalen 150.912,86 287.019,99 29.250,61 467.183,46
Procentueel 32,30% 61,44% 6,26% 100,00%

(…)

7.2 Van rechtswege aansluiting [belanghebbende]

Werkgever is door een onjuiste invulling van het aanmeldingsformulier ingedeeld in sector 45. Zakelijke dienstverlening III. De kernactiviteiten zijn het aannemen en uitvoeren van de aanleg van tuinen, het uitvoeren van onderhoud aan tuinen, het aannemen en uitvoeren van bestratingswerkzaamheden, het aannemen en uitvoeren van rioleringswerkzaamheden. Het aanleggen en onderhoud van tuinen is seizoengebonden en vindt in de regel plaats tussen april en september.

In indeling technische zin is er sprake is van een samengestelde onderneming en is bepalend aan welke activiteiten de grootste premieloonsom is toe te rekenen. De tot nu toe gerealiseerde premieloonsommen zijn verhoudingsgewijs nagenoeg gelijk aan de percentages met betrekking tot de omzetverhouding rekening houdend met het feit dat er werk wordt uitbesteed aan derden en er gebruik wordt gemaakt van ingehuurde krachten. Het grootste deel is toe te rekenen aan werkzaamheden met een civieltechnisch karakter, activiteiten die ressorteren onder de sector 003. Bouwbedrijf.”

3.6. Naar aanleiding van het onderzoek ter zitting van 16 november 2016 heeft de Inspecteur op verzoek van het Hof een nader onderzoek verricht. In het van het onderzoek uitgebracht ‘Rapport inzake een ingesteld indelingsonderzoek’ (hierna: het tweede rapport), gedagtekend 28 december 2016, is onder meer het volgende vermeld:

4.4. Personeel

Onderstaand een overzicht van de in dienst zijnde arbeidskrachten met vermelding van de loonsommen over de periode 1 april 2016 t.e.m. 30 november 2016.

Naam BSN Loonsom 2016 Opmerkingen
[A] . […] 21.648,59
[D] . […] 7.744,15 i.d. 01-06-2016
[E] . […] 6.246,13 i.d. 22-08-2016
35.638,87

(…)”

Sectorindelingen

4.1. De artikelen 5.1 en 5.2 van de Regeling Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: Regeling Wfsv) luiden, voor zover hier van belang:

Artikel 5.1 Indeling in sectoren

Het bedrijfs- en beroepsleven wordt ingedeeld in de volgende genummerde sectoren, bedoeld in artikel 95 van de Wfsv:

  1. Agrarisch bedrijf

(…)

  1. Bouwbedrijf

(…)

Artikel 5.2 Werkzaamheden in bijlage

Tot elke sector van het bedrijfs- en beroepsleven worden gerekend de werkzaamheden, verricht in de takken van bedrijf of beroep of gedeelten daarvan, welke in de bij deze regeling behorende bijlage 1 zijn vermeld. (…).

4.2. Bijlage 1, behorende bij artikel 5.2 luidt als volgt:

1Agrarisch bedrijf, omvattende:

(…)

  1. Hoveniersbedrijf.

(…)

  1. Cultuurtechnische werken (…)

3Bouwbedrijf, omvattende:

  1. Burgerlijke en utiliteitsbouw.
  2. Water- en wegenbouw, alsmede grondwerken.

(…)

Geschil en standpunten van partijen

5.1.

In geschil is de vraag of belanghebbende terecht is ingedeeld in sector 3, Bouwbedrijf, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoord.

5.2.

Belanghebbende stelt dat haar bedrijf met ingang van 1 januari 2016 niet in sector 3, Bouwbedrijf, maar in sector 1, Agrarisch bedrijf moet worden ingedeeld. Belanghebbende stelt dat zij werkzaamheden doet verrichten die behoren tot verschillende sectoren en dat de werkzaamheden waarvoor zij als werkgever het grootste bedrag aan premieplichtig loon betaalt, bestaan uit hovenierswerkzaamheden, te weten het aanleggen en onderhouden van tuinen, daarin begrepen de benodigde bestrating en het aanleggen van tuinterrassen. De werkzaamheden, die vallen onder sector 3, worden verricht door de heer [Y] en van derden ingehuurde mensen. Voor zowel de heer [Y] als voor de van derden ingehuurde mensen betaalt belanghebbende geen premieplichtig loon als werkgever. Verder heeft belanghebbende gesteld dat de v.o.f. ook was ingedeeld in sector 1, Agrarisch bedrijf, en de werkzaamheden van belanghebbende niet anders zijn dan die van de v.o.f.

5.3.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende van rechtswege ingedeeld dient te worden bij sector 3, Bouwbedrijf. Ter ondersteuning van zijn standpunt verwijst de Inspecteur naar de omzetcijfers ‘Civieltechnisch’ en ‘Cultuurtechnisch’ zoals vermeld in de in het geding gebrachte onderzoeksrapporten. Op basis van deze omzetcijfers, van de maanden januari tot en met november 2016, komt de Inspecteur tot de conclusie dat belanghebbende ingedeeld moet worden in sector 3, Bouwbedrijf, omdat de omzet ‘Civieltechnisch’ groter is dan de omzet ‘Cultuurtechnisch’.

5.4.

Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof verder naar de gedingstukken.

Beoordeling van het beroep

6.1.

Belanghebbende verricht werkzaamheden die behoren tot verschillende sectoren. Belanghebbende is derhalve ingevolge artikel 96, tweede lid, Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: Wfsv) van rechtswege aangesloten bij de sector waartoe de werkzaamheden behoren waarvoor zij als werkgever in de regel het grootste bedrag aan premieplichtig loon betaalt of vermoedelijk zal betalen.

6.2.

Anders dan de Inspecteur stelt, verstaat het Hof het tweede lid van artikel 96 van de Wfsv aldus dat slechts relevant zijn de werkzaamheden waarvoor belanghebbende loon uit dienstbetrekking betaalt en waarover zij derhalve in de hoedanigheid van werkgever premie verschuldigd is. Hieruit volgt dat niet relevant zijn de werkzaamheden waarvoor belanghebbende arbeidskrachten van derden inhuurt of die worden verricht door een werknemer waarvoor over het verschuldigde loon geen premie verschuldigd is.

6.3.

Als door belanghebbende gesteld en door de Inspecteur onvoldoende betwist, staat vast dat de werkzaamheden, waarvoor belanghebbende loon betaalt waarover belanghebbende in de hoedanigheid van werkgever premie verschuldigd is, hoofdzakelijk bestaan uit het voor derden aanleggen en/of onderhouden van tuinen een en ander met de daartoe behorende bestrating en terrassen. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat uit het gestelde onder punt 4.4 van het tweede rapport (zie onder 3.6) van een controlemedewerker van de Belastingdienst blijkt dat de werknemers van belanghebbende zeventig percent of meer van hun werkzaamheden besteden aan hoveniers-/bestratingswerk en voor maximaal dertig percent aan grondwerkzaamheden. Deze door belanghebbende gemaakte verdeling gaf de controlemedewerker geen aanleiding tot opmerkingen, zodat het Hof aanneemt dat deze verdeling juist is. Ware dit anders, dan had het op de weg van de controlemedewerker van de Belastingdienst gelegen kanttekeningen bij deze verdeling te maken. Dit temeer daar het onderzoek dat heeft geresulteerd in het tweede rapport is verricht met het oogmerk vast te stellen welke voor de vaststelling van de indeling in sectoren relevante werkzaamheden door de werknemers van belanghebbende zijn verricht.

6.4.

Naar het oordeel van het Hof zijn de onder 6.3 beschreven werkzaamheden, bestaande uit het voor derden aanleggen en/of onderhouden van tuinen, een en ander met de daartoe behorende bestrating en terrassen, aan te merken als werkzaamheden verricht in het kader van het hoveniersbedrijf als bedoeld in bijlage 1 behorend bij artikel 5.2 van de Regeling Wfsv.

6.5.

Gelet op het vorenstaande is de slotsom dat het beroep gegrond is en dat dient te worden beslist als hierna vermeld.

Proceskosten en griffierecht

7.1.

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.488 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 2 punten voor het tweemaal verschijnen ter zitting à € 496 per punt x 1 (gewicht van de zaak)). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

7.2.

Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in beroep gestorte griffierecht van € 503 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

vernietigt de uitspraak op bezwaar;

wijzigt de beschikking aldus dat belanghebbende voor loonheffingennummer […] met ingang van 1 januari 2016 is aangesloten bij de sector 1, Agrarisch bedrijf;

 

Vrijstelling Energiebelasting op aardgas voor mineralogische procedés

(Bron: Wet belastingen op milieugrondslag, 30 juni 2017)

Op grond van de Wet belastingen op milieugrondslag krijgen bedrijven vrijstelling op energiebelasting voor de toepassing van aardgas dat wordt gebruikt voor mineralogische procedés. Het aardgasverbruik voor objecten, die geen directe relatie hebben met genoemde procedés, zoals bijvoorbeeld kantoorgebouwen en magazijnen, valt niet onder deze vrijstelling.

Als mineralogische procedés worden in de wet aangemerkt de vervaardiging van:

  1. glas en glaswerk
  2. keramische producten
  3. cement, kalk of gips
  4. kalkzandsteen of cellenbeton
  5. steenwol

Contact: Wilt u graag vrijblijvend informatie of heeft u vragen over uw vrijstelling m.b.t. energiebelasting op aardgas voor mineralogische procedés, dan kunt u contact opnemen met Sandra van de Graaf op telefoonnummer: 030 – 251 19 42 of via e-mail: s.vandegraaf@lindersconsultants.nl

 

U heeft WBSO aangevraagd. U krijgt vragen. Wij helpen u graag!

U heeft een WBSO-aanvraag ingediend. Uw aanvraag wordt beoordeeld door een RVO-adviseur. Blijkt uw aanvraag onvoldoende duidelijk te zijn dan kan de adviseur aanvullende vragen stellen. Heeft u zo’n vragenbrief ontvangen? Dan kan Linders Consultants met zijn diepgaande technische achtergrond u daarbij helpen deze vragen te beantwoorden. Onze dienstverlening gaat verder dan dat.

Waarom worden er vragen gesteld?

De aanvraag is ingediend en u hoopt op een positieve beschikking. Mocht RVO u om een toelichting vragen over bijvoorbeeld het oplossen van technische knelpunten of wie welke werkzaamheden verricht, dan kunnen wij u daarbij helpen. Wij kunnen aanvragen goed technisch inhoudelijk onderbouwen omdat wij professionals met diepgaande ICT-kennis in huis hebben.

Wij helpen u graag en doen meer!

Waar kijkt RVO naar als u een vragenbrief heeft ontvangen? Is uw project tot in details genoeg omschreven? Is het duidelijk voor RVO welke WBSO-werkzaamheden u uitvoert. RVO stelt regelmatig vragen en wij kunnen uw zorg hierover uit handen nemen. Als één van de weinige WBSO-adviseurs in Nederland heeft Linders Consultants professionals in huis met diepgaande ICT-kennis. Zij zijn van huis uit academische programmeurs die hun vakkennis continue vernieuwen. De nieuwe kritische koers van RVO vereist juist ons specialisme, want dat is precies wat nodig is om aanvragen en beantwoording van vragenbrieven goed en zonder teveel inspanningen van uw kant tot een succes te maken.

Neem geen risico en voorkom tijdrovende aanvraagtrajecten waarbij u feitelijk zelf de complete aanvraag moet uitschrijven. Linders Consultants zorgt voor een kwalitatief goede aanvraag door zelf te beoordelen welke werkzaamheden binnen uw organisatie WBSO-waardig zijn én wij zorgen zelf voor de projectbeschrijvingen die uiteindelijk richting RVO gestuurd worden.

Beschikking afgegeven? Wij leveren ook nazorg.

Uiteraard neemt Linders Consultants u ook het administratieve proces uit handen. Mocht u een WBSO controle krijgen dan voeren wij samen met u een proefcontrole uit zodat u zonder zorgen de controle kan doorlopen. Ook verzorgen wij voor u de mededelingen van de gerealiseerde uren en lopen samen met u uw WBSO-administratie door.

Bel ons gerust!

Belt u ons gerust voor een vrijblijvende afspraak op telefoonnummer: 030-2334685 of via e-mail info@lindersconsultants.nl Een adviesgesprek is geheel vrijblijvend en kan eventueel ook telefonisch wanneer dat u beter uitkomt!

 

Prinsjesdag 2016: de kabinetsplannen voor de WBSO 2017

21 september 2016

Op Prinsjesdag 20 september 2016 is het Belastingplan 2017 gepresenteerd. Omdat steeds meer bedrijven gebruik maken van de WBSO stelt het kabinet hiervoor extra budget beschikbaar: € 1.205 miljoen in 2017 (€ 1.143 miljoen in 2016). De voordeelpercentages en schijflengtes blijven gelijk aan die van 2016.

  • Het percentage van de 1e schijf tot € 350.000,- blijft 32%
  • Het percentage van de 2e schijf boven € 350.000,- blijft 16%
  • Het percentage van de 1e schijf voor starters blijft 40%

Bron: Belastingplan 2017

Valt werkgever die medisch specialistisch personeel ter beschikking stelt van zorginstellingen onder verplichtstelling bedrijfstakpensioenfonds uitzendbranche (StiPP)?

Bron: Rechtspraak.nl
FutD 2016-1053
M.A.H.M. van der Velden en S.A. Tan annotatie in JIN 2016/122

Conclusie

15/00920

mr. G.R.B. van Peursem

15 april 2016

Conclusie inzake:

Care 4 Care Human Resources B.V.,

(hierna: C4C),

gevestigd te Rotterdam,

eiseres tot cassatie

tegen

Stichting Pensioenfonds voor Personeelsdiensten,

(hierna: StiPP)

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in cassatie

StiPP voert het verplicht gestelde bedrijfstakpensioenfonds voor de uitzendbranche uit en in deze zaak is de vraag of C4C verplicht moet zijn aangesloten bij dit fonds. Het verplichtstellingsbesluit verwijst daartoe naar het begrip uitzendovereenkomst van art. 7:690 BW. Onduidelijk is of bij zo’n overeenkomst vereist is dat de werkgever een zogenoemde “allocatiefunctie” op de arbeidsmarkt vervult en eveneens wat dat begrip inhoudt. De parlementaire geschiedenis is hier niet eenduidig over, rechtspraak en literatuur zijn verdeeld en de politiek zit kennelijk te wachten op een handreiking van de hoogste rechter; op 6 juli 2015 wees de Staatssecretaris voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid in antwoord op Kamervragen erop dat de onderhavige zaak aanhangig was bij Uw Raad.1

Bij de derde kamer van Uw Raad is nu een zaak2 aanhangig over premiesectorindeling van een payroller, waarbij het begrip uitzendovereenkomst uit art. 7:690 BW en het al dan niet vereist zijn van een allocatieve functie mede een rol spelen. A-G Wattel concludeert in die zaak een dezer dagen eveneens. Uit oogpunt van rechtseenheid zou het overweging kunnen verdienen de uitspraken in deze zaken op dit punt te coördineren.3

Verder is in de onderhavige cassatie de vraag of de gedetacheerde werknemers van C4C onder leiding en toezicht van C4C’s opdrachtgevers werkzaam zijn als bedoeld in art. 7:690 BW en of het hof ten onrechte een (tegen)bewijsaanbod heeft gepasseerd.

De kantonrechter4 oordeelde dat voor art. 7:690 BW een (“klassieke”) allocatiefunctie is vereist en dat C4C die niet vervult, het hof5 vernietigde het vonnis en oordeelde dat geen allocatiefunctie in de “klassieke” zin is vereist, dat sprake is van leiding en toezicht door de opdrachtgevers en C4C valt onder de verplichtstelling van het pensioenfonds. Ik meen dat het arrest in stand dient te blijven.

1Feiten6

1.1

StiPP is een bedrijfstakpensioenfonds als bedoeld in de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000. StiPP voert de verplichte pensioenregeling uit voor werknemers in de uitzendbranche.

1.2

Bij besluit van 30 januari 2009 (hierna het besluit te noemen) heeft de Minister van Sociale zaken en Werkgelegenheid de deelname in StiPP verplicht gesteld. In het besluit staat onder meer:

“Het deelnemen in de Stichting Pensioenfonds voor Personeelsdiensten is verplichtgesteld voor uitzendkrachten die op basis van een uitzendovereenkomst werkzaam zijn voor een uitzendonderneming (…).

Hierbij wordt verstaan onder:

  • uitzendonderneming:

De natuurlijke of rechtspersoon die voor ten minste 50 procent van het totale premieplichtig loon op jaarbasis uitzendkrachten ter beschikking stelt van (uitzendt naar) opdrachtgevers, zijnde de werkgever in de zin van artikel 7:690 van het Burgerlijk Wetboek.

  • uitzendovereenkomst

de arbeidsovereenkomst, waarbij de ene partij als werknemer door de andere partij als werkgever in het kader van de uitoefening van het beroep of bedrijf van die werkgever ter beschikking wordt gesteld van een derde om krachtens een door deze aan die werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van de derde. ”

Alles met dien verstande dat:

(…)”

Vervolgens wordt in het besluit een aantal branches/bedrijfstakken genoemd, ten aanzien waarvan is bepaald dat de verplichtstelling al dan niet geldt, indien zich in het besluit vermelde situaties voordoen.

1.3

C4C maakt haar bedrijf van het leveren van gekwalificeerd medisch specialistisch personeel aan opdrachtgevers, zijnde ziekenhuizen, zorginstellingen en thuiszorgorganisaties. Een deel van dat personeel is geregistreerd in het BIG-register.

1.4

Bij brief van 24 januari 2011 heeft de pensioenuitvoerder namens StiPP aan C4C bericht dat haar onderneming op grond van de bedrijfsactiviteiten onder de werkingssfeer van StiPP valt en dat zij C4C met ingang van 1 januari 2011 bij StiPP heeft aangesloten. C4C heeft tegen deze aansluiting bezwaar gemaakt, welk bezwaar StiPP niet heeft gehonoreerd. De aansluiting is nadat partijen daarover hadden gecorrespondeerd gehandhaafd.

2Procesverloop7

2.1

C4C vorderde in eerste aanleg voor recht te verklaren dat zij niet valt onder de verplichtstelling om deel te nemen in StiPP en StiPP te veroordelen tot betaling van de kosten van de procedure, die zij heeft gevoerd bij de rechtbank Rotterdam over het niet verlenen van vrijstelling van deelname in StiPP, en in de kosten van de onderhavige procedure. Bij het eindvonnis in eerste aanleg heeft de kantonrechter de gevorderde verklaring voor recht toegewezen en StiPP veroordeeld in de proceskosten van de procedure in eerste aanleg.

2.2

StiPP heeft hoger beroep ingesteld.8 Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd, de vorderingen van C4C alsnog afgewezen en C4C veroordeeld om al hetgeen StiPP ter uitvoering van het vonnis aan C4C heeft voldaan aan StiPP terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der betaling.9 Het hof heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen:

“3.4 Het geschil tussen partijen betreft het antwoord op de vraag of C4C valt onder de werkingssfeer van het besluit, vooral op de vraag of C4C moet worden aangemerkt als uitzendondernemer op wie het besluit van toepassing is.

(…)

3.10

Zoals de kantonrechter ook heeft overwogen (tussenvonnis onder 4) staat tussen partijen vast dat C4C bedrijfsmatig medewerkers aan derden ter beschikking stelt om in de onderneming van die derden werkzaamheden te verrichten en dat daarmee ten minste vijftig procent van het totale premieplichtige loon is gemoeid. De kantonrechter heeft vervolgens overwogen dat daarmee de verplichting van C4C aangesloten te zijn bij StiPP nog niet gegeven is omdat onder het begrip “werkgever” in de zin van artikel 7:690 BW en het besluit, anders dan StiPP heeft betoogd, niet alle ondernemingen vallen die “middels detachering, payroll en andere vormen” arbeid ter beschikking stellen aan derden. Een werkgever die bij de detachering van haar werknemers geen allocatiefunctie vervult valt, zo overweegt de kantonrechter in het bestreden vonnis, niet onder de werking van artikel 7:690 BW en het besluit en uit de toelichting die C4C heeft gegeven van haar activiteiten kan worden afgeleid dat C4C geen allocatiefunctie vervult. De kantonrechter heeft ten slotte overwogen dat de werknemers van C4C niet onder leiding en toezicht van de opdrachtgevers van C4C werkzaam zijn maar dat de kern van de leiding en toezicht bij C4C blijft. Omdat de allocatiefunctie bij C4C ontbreekt en leiding en toezicht niet door de opdrachtgevers maar door C4C worden ingevuld, kan C4C volgens de kantonrechter niet als werkgever in de zin van artikel 7:690 BW worden beschouwd en valt zij niet onder de werkingssfeer van het besluit.

3.11

De grieven klagen in de eerste plaats over het oordeel van de kantonrechter dat de (uitzendende) werkgever die geen allocatiefunctie vervult geen werkgever in de zin van artikel 7:690 BW en het besluit is en dat C4C geen allocatiefunctie vervult. StiPP stelt dat voor de toepassing van artikel 7:690 BW niet vereist is dat de werkgever een allocatiefunctie vervult. Voldoende is dat er sprake is van terbeschikkingstelling van arbeidskrachten in het kader van de uitoefening van het beroep of bedrijf van de werkgever. Artikel 7:690 BW geldt voor alle driehoeksverhoudingen. Zij stelt verder dat C4C wel een allocatiefunctie vervult. C4C brengt vraag en aanbod van medisch personeel bij elkaar en de terbeschikkingstelling ervan heeft een tijdelijk karakter.

3.12

Het hof is, anders dan de kantonrechter, van oordeel dat voor de toepassing van artikel 7:690 BW niet vereist is dat de werkgever een allocatiefunctie vervult, in die zin dat, zoals C4C bepleit, artikel 7:690 BW uitsluitend van toepassing is indien de werkgever zich met name bezighoudt met het bij elkaar brengen van vraag en aanbod van tijdelijke arbeid zoals vervanging van werknemers tijdens ziekte of andere afwezigheid, het opvangen van piekuren of soortgelijke plotselinge opkomende werkzaamheden. Uit de tekst van artikel 7:690 BW volgt dat alle arbeidsovereenkomsten, waarbij de werknemer door de werkgever ter beschikking wordt gesteld van een derde om krachtens door deze aan de werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van die derde, uitzendovereenkomsten zijn. Dat impliceert dat alle werknemers die werkzaam zijn op basis van een uitzendovereenkomst in beginsel onder de werkingssfeer van het besluit vallen. Of de desbetreffende werknemers, zoals de werknemers van C4C die langer dan zes maanden in dienst zijn, een vast dienstverband met hun werkgever hebben en of die werknemers over capaciteiten beschikken, die de derden (zorginstellingen), waar zij te werk worden gesteld niet zelf in huis hebben is, anders dan de kantonrechter heeft overwogen, niet van belang.

3.13

StiPP klaagt vervolgens over het oordeel van de kantonrechter dat de werknemers van C4C niet onder toezicht en leiding van de derde aan wie zij ter beschikking zijn gesteld werkzaam zijn en dat C4C om die reden niet als werkgever in de zin van artikel 7:690 BW kan worden beschouwd. Volgens StiPP heeft de kantonrechter ten onrechte doorslaggevend geacht bij wie de kern van leiding en toezicht ligt, hetgeen volgens de kantonrechter impliceert dat van belang is wie bepaalt of een medewerker zijn werkzaamheden goed vervult, waar hij werkzaam is en voor hoelang en wat zijn salaris is. StiPP stelt dat voor het antwoord op de vraag onder wiens toezicht en leiding een werknemer werkzaam is, bepalend is wie de instructiebevoegdheid ten aanzien van de werkzaamheden heeft – de uitzender of de inlener – en niet degene die bepaalt of een werknemer zijn werkzaamheden goed vervult en wat het salaris is. C4C stelt dat StiPP aldus miskent dat haar opdrachtgevers ten aanzien van haar medewerkers weliswaar de instructiebevoegdheid hebben met betrekking tot de feitelijke dagelijkse gang van zaken maar juist geen zeggenschap hebben over de wijze waarop de door haar aan haar opdrachtgevers ter beschikking gestelde werknemers hun werkzaamheden uitvoeren. C4C heeft hoogopgeleide, gekwalificeerde en deskundige specialisten in dienst, veelal in het bezit van een BIG-registratie of financieel administrateurs of managers met ervaring in de zorg. Die specialisten dragen hun eigen verantwoordelijkheid, dienen hun werkzaamheden uit te voeren conform hun eigen professionele standaarden en vallen – indien zij een Big-registratie hebben – onder het medisch tuchtrecht. De desbetreffende medewerkers worden op de werkvloer begeleid door twee accountmanagers, die C4C in dienst heeft om de feitelijke leiding over haar medewerkers uit te oefenen.

3.14

Het hof overweegt als volgt. Als productie 6 bij de conclusie van antwoord heeft StiPP de mantelovereenkomst voor dienstverlening in het geding gebracht, die C4C kennelijk – C4C heeft dat niet betwist – met haar opdrachtgevers pleegt te sluiten. In artikel 3 van deze overeenkomst staat onder meer de volgende bepaling, waarbij, blijkens de definities in artikel 2 van de overeenkomst “de Deskundige” de werknemer van C4C is en C4C wordt aangeduid als Opdrachtnemer:

“Opdrachtnemer draagt de bevoegdheid tot het geven van instructies ten aanzien van de Werkzaamheden, waarmee de deskundige bij Opdrachtgever is belast, en het toezicht daarop over aan Opdrachtgever. De verantwoordelijkheid voor het bereiken van het met de Werkzaamheden beoogde doel cq. resultaat berust bij Opdrachtgever. ”

C4C komt dus, anders dan zij suggereert, met haar opdrachtgevers overeen dat de instructiebevoegdheid ten aanzien van de werkzaamheden van de ter beschikking gestelde werknemers bij de opdrachtgevers ligt. Daaraan doet niet af dat de desbetreffende werknemers hoogopgeleid zijn en gespecialiseerde werkzaamheden verrichten, ten aanzien waarvan de opdrachtgevers zelf over onvoldoende kennis beschikken en die hun werkzaamheden overeenkomstig hun eigen professionele standaarden verrichten, zoals C4C heeft gesteld of dat C4C een tweetal accountmanagers in dienst heeft die de desbetreffende medewerkers begeleidt. Ook ten aanzien van professionals, die krachtens een arbeidsovereenkomst werkzaam zijn heeft de werkgever een instructiebevoegdheid. Die bevoegdheid is in het onderhavige geval overgedragen aan de derde aan wie de werknemer door de werkgever ter beschikking is gesteld.

3.15

Het vooroverwogene leidt tot de conclusie dat C4C onder de werkingssfeer van het besluit valt en dat de bij het bestreden vonnis gegeven verklaring voor recht dat C4C niet valt onder de verplichting deel te nemen in StiPP, niet in stand kan blijven. Het vonnis zal worden vernietigd en de vordering van C4C zal alsnog worden afgewezen. De vordering van StiPP C4C te veroordelen tot terugbetaling van hetgeen zij op grond van het vonnis in eerste aanleg aan C4C heeft betaald is toewijsbaar. Als in het ongelijk gestelde partij wordt C4C veroordeeld in de kosten van de procedure in beide instanties inclusief de eventueel verschuldigde nakosten. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf 14 dagen na de datum van dit arrest.”

2.3

C4C heeft tijdig10 cassatieberoep ingesteld. StiPP heeft geconcludeerd tot verwerping. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, C4C heeft gerepliceerd, StiPP heeft gedupliceerd.

3Juridisch kader

3.1

In het verplichtstellingsbesluit11 wordt voor de definitie van de uitzendonderneming aangesloten bij dit begrip in art. 7:690 BW. Daarbij is in onze zaak ten eerste de rechtsvraag aan de orde of voor toepassing van het artikel vereist is dat de werkgever een allocatiefunctie vervult. De parlementaire geschiedenis is daarover niet ondubbelzinnig en literatuur en jurisprudentie zijn verdeeld – ook over de vraag wat daar precies mee wordt bedoeld. In de tweede plaats is de vraag of het oordeel van het hof stand kan houden dat “leiding en toezicht” bij de opdrachtgevers van C4C liggen, zoals het wetsartikel vereist.

3.a De uitzendovereenkomst

3.2

In de jaren negentig nam het aantal uitzendrelaties zienderogen toe, evenals de duur van dergelijke relaties.12 Er rees daarbij twijfel over de handhaving van het publiekrechtelijke vergunningsstelsel voor uitzendwerk zoals dat destijds bestond. De wetgever zocht een balans tussen de extra flexibiliteit die gewenst is bij uitzendrelaties, met name wat betreft beëindiging, en de bescherming van de positie van flexwerkers. Dat spanningsveld levert in onze zaak hoofdbrekens op.

3.3

Op 1 januari 1999 is de zogenoemde Flex-wetgeving in werking getreden, waarin een afzonderlijke afdeling van het BW is geïntroduceerd over de uitzendovereenkomst: Boek 7, Titel 10, Afdeling 11. In deze afdeling wordt verduidelijkt dat een uitzendovereenkomst als een (specifieke vorm van de) arbeidsovereenkomst moet worden gezien, waar enkele afwijkende regels voor gelden. Daarover bestond tevoren geen volkomen duidelijkheid in het veld. Een van de maatschappelijke gevolgen hiervan is een sterkere positie van flexwerkers. Art. 7:690 BW definieert het begrip “uitzendovereenkomst” bedoeld in de titel, maar roept gelet op de wetsgeschiedenis vragen op. In art. 7:691 BW is een aantal specifieke bepalingen opgenomen met betrekking tot ontslag en opvolgende arbeidsovereenkomsten. Lid 2 van dat artikel creëert de mogelijkheid van het schriftelijk overeenkomen van een zogenoemd “uitzendbeding”: de uitzendwerkgever en -werknemer kunnen overeenkomen dat de uitzendovereenkomst van rechtswege eindigt als de terbeschikkingstelling aan de derde op diens verzoek ten einde komt. Het zesde lid van art. 7:691 BW bepaalt dat het artikel niet van toepassing is op, kort gezegd, intra concern-verhoudingen.13

3.4

De reikwijdte van het begrip “uitzendovereenkomst” in het BW is ook van belang voor vraagstukken met betrekking tot pensioenen, cao’s, en belasting- en premieheffing/sectorindeling, omdat bij regelingen daarover aansluiting wordt gezocht bij de definitie in het BW. Dat speelt in onze zaak over verplichte deelname aan een bedrijfstakpensioenfonds, zo goed als in het nog te behandelen Intra concern-arrest14gewezen door de derde kamer en de nu bij de derde kamer van Uw Raad aanhangige zaak waarin collega Wattel een dezer dagen concludeert.

3.5

De afgelopen jaren hebben verschillende varianten van driehoeksrelaties tussen werknemer, werkgever en opdrachtgever15 een opmars gemaakt zoals detachering, payrolling en arbeidspools. Dit zijn geen vastomlijnde begrippen. Het is lang niet altijd duidelijk welke varianten uit de praktijk binnen de reikwijdte van de titel over de uitzendovereenkomst vallen. Met name (vormen van) payrolling worden met argusogen bekeken, waar de vrees voorzit dat zij worden misbruikt als schijnconstructie om werkgeversverplichtingen te omzeilen. Dat speelt vaak mee wanneer ervoor wordt gepleit bepaalde vormen al of niet binnen de reikwijdte van het begrip “uitzendovereenkomst” uit art. 7:690 BW te begrijpen. In onder meer de Wet aanpak schijnconstructies (WAS)16, een wijziging van het Ontslagbesluit op 1 januari 2015 en de vervanging van het Ontslagbesluit door de Ontslagregeling in 201517 zijn op dit vlak maatregelen doorgevoerd.

3.6

Art. 7:690 BW luidt aldus:

“De uitzendovereenkomst is de arbeidsovereenkomst waarbij de werknemer door de werkgever, in het kader van de uitoefening van het beroep of bedrijf van de werkgever ter beschikking wordt gesteld van een derde om krachtens een door deze aan de werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van de derde.”

3.7

In de bepaling is een aantal elementen te vinden. Er moet sprake zijn van:

  • -
  1. a) een werkgever, die
  • -
  1. b) in het kader van diens beroep of bedrijf;
  • -
  1. c) een werknemer ter beschikking stelt aan een derde om
  • -
  1. d) krachtens een door deze aan de werkgever verstrekte opdracht
  • -
  1. e) arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van de derde.

“Beroep of bedrijf” uit element (b) grenst af van incidentele ter beschikkingstelling, zoals bij “collegiale uitlening”.

Met het vereiste dat sprake moet zijn van een opdrachtrelatie met de derde (element (d)), wordt verduidelijkt dat bijvoorbeeld aanneming van werk niet onder de definitie valt.

3.b Allocatiefunctie

Inleiding

3.8

Het wetsartikel zelf noemt niet met zoveel woorden een allocatiefunctie als constitutief vereiste voor een uitzendovereenkomst, maar in de parlementaire geschiedenis komt het begrip wel aan de orde. We zullen hierna zien dat de betreffende passages niet eenduidig worden uitgelegd. Heel algemeen houdt een allocatiefunctie in het bij elkaar brengen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt.

We zullen zien dat daarbij twee varianten kunnen worden onderscheiden.

In de ruime zin wordt met allocatiefunctie niet meer wordt bedoeld dan dat de werkgever zich bedrijfs- of beroepsmatig bezighoudt met de terbeschikkingstelling van werknemers aan opdrachtgevers. In die betekenis is de allocatiefunctie wel terug te vinden in de onderscheiden elementen (a) t/m (d) uit art. 7:690 BW.

De andere betekenis wordt wel aangeduid als de “traditionele” allocatiefunctie en knoopt aan bij het klassieke uitzendbureau. Daarbij is sprake van het actief bij elkaar brengen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt van (in de regel) werk van tijdelijke aard, ook wel aangeduid als het opvangen van “ziek of piek”.

De kernvraag in onze zaak is of deze “traditionele” allocatiefunctie is vereist voor een uitzendovereenkomst in de zin van art. 7:690 BW. Dat is een strikter vereiste dan de hiervoor bedoelde ruime allocatiefunctie.

Parlementaire geschiedenis

3.9

De verschillende visies in literatuur en rechtspraak op deze kwestie, die hierna aan de orde komen, zijn terug te voeren op het niet eenduidig hanteren van het begrip allocatiefunctie in de parlementaire geschiedenis. Dat wordt weer veroorzaakt, doordat de wetgever twee elementen heeft willen verzoenen, die op gespannen voet met elkaar staan, zoals ik hierna zal uiteenzetten in de interimanalyse.

3.10

Op een aantal plaatsen gebruikte de regering in de wetsgeschiedenis van de Flexwet het begrip in de hiervoor bedoelde ruime betekenis. In de MvT is daarover dit aangegeven:

“De bijzondere regeling van de uitzendovereenkomst geldt alleen voor die werkgevers die daadwerkelijk een allocatiefunctie op de arbeidsmarkt vervullen, dus die in het kader van de uitoefening van hun beroep of bedrijf arbeidskrachten ter beschikking stellen aan derden. Het incidenteel in voorkomende gevallen ter beschikking stellen van arbeidskrachten door werkgevers die in feite geheel andersoortige beroeps- of bedrijfsactiviteiten hebben kan derhalve niet onder het regiem van de uitzendovereenkomst worden gebracht. Door voorts toepassing van de regeling van de uitzendovereenkomst, zoals neergelegd in artikel 691 Boek 7 BW, uit te sluiten voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten tussen werkgevers die onderling in een concernrelatie tot elkaar staan, als bedoeld in de artikelen 24a en 24b van Boek 2 BW, wordt beoogd te voorkomen dat arbeidsorganisaties via een eigen uitzendbureau personeel ter beschikking stellen van de eigen organisatie, maar dan met minder verplichtingen. Van een allocatiefunctie voor de arbeidsmarkt kan in dat geval niet worden gesproken.

De voorgestelde regeling voor de uitzendovereenkomst heeft niet alleen betrekking op de thans in de praktijk voorkomende uitzendrelatie, maar omvat ook alle andere driehoeksarbeidsrelaties, waarbij de werknemer in de uitoefening van het bedrijf of beroep van de werkgever aan een derde ter beschikking wordt gesteld, om onder leiding en toezicht van die derde arbeid te verrichten. Zodanige ter beschikkingstelling kan bijvoorbeeld ook uitlening omvatten, als die uitlening aan de elementen van de definitie voldoet. Is dat het geval, dan is het bijzondere regiem van de uitzendovereenkomst, zoals neergelegd in artikel 691 Boek 7 BW, op deze driehoeksarbeidsrelatie van toepassing. De voorgestelde regeling van de uitzendovereenkomst geeft derhalve een uniforme wettelijke regeling voor de vele onder verschillende benamingen in de praktijk voorkomende vormen van het ter beschikking stellen van arbeidskrachten, zoals: uitzenden, uitlenen, detacheren, of te werk stellen in het kader van een arbeidspool. Wel wijzen wij er nadrukkelijk op, dat de voorgestelde regeling beperkt is tot het ter beschikking stellen in het kader van zodanig beroep of bedrijf. In de praktijk gaat het dan dus alleen om organisaties zoals uitzendbureaus, detacheerbedrijven, arbeidspools en andere organisaties, die er hun beroep of bedrijf van maken arbeidskrachten onder welke noemer dan ook tijdelijk aan derden ter beschikking te stellen. ”18

En verder bij de artikelsgewijze toelichting dit:

“Artikel 690

In de nieuwe afdeling 11 van titel 7.10 zijn bijzondere bepalingen voor de uitzendovereenkomst opgenomen. Allereerst wordt in artikel 690 de uitzendovereenkomst gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst. De definitie van uitzendovereenkomst bevat een aantal bijzondere kenmerken. De werknemer (de uitzendkracht) oefent zijn werkzaamheden uit in het bedrijf van een derde (de inlener), onder toezicht en leiding van die derde. Een en ander geschiedt krachtens een opdracht aan de werkgever. Dit laatste element is opgenomen om duidelijk te maken dat bijvoorbeeld aanneming van werk niet tot een uitzendovereenkomst kan leiden. De terbeschikkingstelling moet geschieden in het kader van het beroep of het bedrijf van de werkgever. Dat betekent dat terbeschikkingstelling (een) doelstelling van de bedrijfs- of beroepsactiviteiten van de werkgever moet zijn; de toepasselijkheid van de uitzendovereenkomst is aldus gekoppeld aan de allocatieve functie van de werkgever. Op de uitzendovereenkomst is de regeling van de arbeidsovereenkomst in titel 7.10 onverkort van toepassing, behoudens voor zover anders is bepaald.”19

Hier lijkt allocatie niet meer te betekenen dan de ruime opvatting.

3.11

Dat inderdaad de bedoeling was om afdeling 11 van toepassing te laten zijn op meer dan alleen traditionele uitzendbureaus (en er zodoende geen sprake hoeft te zijn van een allocatiefunctie in traditionele zin), is onderstreept door het volgende. In reactie op de visie van de Raad van State, die aangeeft dat onder de voorgestelde wet zowel uitzenden als uitlenen zou vallen en die voorstelde dit te beperken tot (traditioneel) uitzenden, heeft de regering juist aangegeven dat dat niet de bedoeling was.

Zie eerst de betreffende passage uit het advies van de Raad van State:

“2. De Raad merkt op dat het begrip «uitzendovereenkomst», zoals gedefinieerd in het voorgestelde artikel 690 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW), aanzienlijk ruimer is dan in praktijk en rechtsliteratuur gehanteerd. Uit de literatuur blijkt dat er twee begrippen zijn die tegenover elkaar kunnen worden gesteld: uitlenen en uitzenden. Bij uitlenen bestaat er een vóórtdurende arbeidsovereenkomst met de uitlener, ongeacht of daadwerkelijk arbeid wordt verricht. Daardoor is de uitlener voortdurend loon verschuldigd en is de werknemer verplicht nieuwe werkzaamheden te aanvaarden. Bij uitzenden bestaat er alleen een arbeidsovereenkomst voor de duur van elke uitzending.

De voorgestelde omschrijving van «uitzendovereenkomst» in artikel 690, Boek 7 BW is, zo merkt de Raad op, zo ruim dat zowel uitzenden (in de gebruikelijke betekenis) als uitlenen eronder kunnen worden gerekend. De omschrijving spreekt namelijk slechts in algemene termen van «de arbeidsovereenkomst waarbij (…) de werknemer door (…) de werkgever (…) ter beschikking wordt gesteld van een derde».

De Raad is van mening dat uitlenen een rechtsfiguur is die een andere regeling vereist dan het ter beschikking stellen van arbeidskrachten op basis van tijdelijke arbeidscontracten. Hij beveelt daarom aan de nu ontworpen regeling van de uitzendovereenkomst te beperken tot de uitzendrelatie in enge zin. Eventueel kan een afzonderlijke regeling worden getroffen voor de uitleenrelatie.”20

De uitdrukkelijke bedoeling van de regering om dit ruimer te trekken volgt hieruit:

“2. Naar aanleiding van de opmerkingen van de Raad merken wij op, dat niet alleen wordt beoogd de thans in de praktijk voorkomende uitzendrelatie onder de voorgestelde definitie van uitzendovereenkomst te brengen, maar ook alle andere driehoeksarbeidsrelaties, waarbij de werknemer door diens werkgever in de uitoefening van diens bedrijf of beroep aan een derde ter beschikking wordt gesteld, om onder leiding en toezicht van die derde arbeid te verrichten. Zodanige terbeschikkingstelling kan ook uitlening omvatten, indien de betreffende uitlening aan de elementen van de definitie voldoet. Is dat het geval, dan is het bijzondere regiem van de uitzend-overeenkomst, zoals neergelegd in artikel 691, op deze driehoeksarbeidsrelatie van toepassing.

De voorgestelde afdeling geeft derhalve een uniforme regeling voor de vele onder verschillende benamingen in de praktijk voorkomende vormen van het ter beschikking stellen van arbeidskrachten, zoals: uitzenden, uitlenen, detacheren, of te werk stellen in het kader van een arbeidspool. Wel wijzen wij er nadrukkelijk op, dat de voorgestelde regeling beperkt is tot het ter beschikking stellen in het kader van zodanig beroep of bedrijf. In de praktijk gaat het dus om uitzendbureaus, detacheerbedrijven, arbeidspools en andere organisaties, die er hun beroep of bedrijf van maken arbeidskrachten onder welke noemer dan ook tijdelijk aan derden ter beschikking te stellen. Alleen voor die gevallen achten wij het voorgestelde bijzondere regiem van tijdelijk beperkte rechtsbescherming voor de betrokken werknemers gerechtvaardigd. Kern van dat regiem is, dat gedurende de eerste 26 weken waarin arbeid wordt verricht de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet van toepassing is (vgl. artikel 668a, Boek 7 BW). En, dat de arbeidsrelatie van rechtswege eindigt na afloop van de terbeschikkingstelling bij de derde als partijen dat uitdrukkelijk schriftelijk zijn overeengekomen. Op dit beding kan echter geen beroep meer worden gedaan indien de werknemer in meer dan 26 weken arbeid heeft verricht voor de werkgever, tenzij deze periode bij CAO is verlengd. Op alle overige driehoeksarbeidsrelaties, waarin werknemers in het kader van hun arbeidsovereenkomst tijdelijk bij derden te werk worden gesteld bijv. collegiale uitlening, en die niet voldoen aan de bijzondere criteria van de uitzendovereenkomst is de regeling van de arbeidsovereenkomst onverkort van toepassing. Gelet op de ruime werkingssfeer van de voorgestelde definitie van de uitzendovereenkomst, menen wij de aanbeveling van de Raad om de ontworpen regeling te beperken tot de uitzendrelatie in enge zin, niet te moeten volgen.”21

Ook uit bijvoorbeeld deze passage uit de Nota naar aanleiding van het Verslag volgt die bedoeling:

“De leden van de fractie van de VVD vroegen waarom een aparte formeel juridische status voor de uitzendrelatie nodig is en welke feitelijke verschillen via deze regeling worden bewerkstelligd.

Regeling van de uitzendovereenkomst is noodzakelijk om duidelijk te maken, dat de uitzendovereenkomst d.w.z. een overeenkomst waarbij een werkgever in het kader van zijn beroep of bedrijf werknemers aan een derde ter beschikking stelt om onder diens toezicht en leiding arbeid te verrichten, een arbeidsovereenkomst is. Het gaat daarbij niet alleen om de in de praktijk bekende uitzendrelatie, maar ook om alle andere soorten van driekhoeksarbeidsrelaties zoals in geval van uitlenen, detacheren en het werken in het kader van een arbeidspool. Voorts hebben deze arbeidsrelaties een aantal karakteristieke kenmerken, zoals drie partijen, tijdelijk, arbeid door de werknemer via een intermediair alleen ten behoeve van de derde, in verband waarmee behoefte bestaat aan bijzondere bepalingen.”22

In de inleiding kwam al ter sprake dat er Kamervragen (vgl. voetnoot 1) zijn gesteld over precies de kwestie die in onze zaak speelt, namelijk of een allocatiefunctie constitutief vereiste is voor een uitzendovereenkomst en als dat zo is of dan detacheerders die geen allocatiefunctie vervullen niet onder de verplichte aansluiting bij StiPP vallen. In antwoord op vraag 3 antwoordde de Staatssecretaris onder meer:

“In de definitie van uitzendovereenkomst in artikel 7:690 BW is de zogenoemde allocatiefunctie niet als constitutief vereiste genoemd. Desondanks bestaat er in de jurisprudentie geen eenduidig beeld als het gaat om de vraag of er sprake is van een uitzendovereenkomst als deze niet tot stand is gekomen in het kader van het samenbrengen van vraag en arbeid. Vooralsnog ga ik ervan uit dat dit het geval is en verwijs ik hiervoor ook naar het Nader rapport bij de Wet Flex en Zekerheid (TK, 1996-1997, 25 263 B) waarin onder meer de volgende passages zijn opgenomen: (…)”

waarna geciteerd wordt de hiervoor in 3.11 ook weergegeven passage van het standpunt van de regering naar aanleiding van het advies van de Raad van State. De Staatssecretaris geeft overigens ook aan (in antwoord op vraag 2) dat definities zoals gehanteerd in de Ontslagregeling volgens haar alleen relevant zijn voor de toepassing van die regeling en niet voor de werkingssfeer van de pensioenregeling van StiPP en (in antwoord op vraag 5) dat hierover de onderhavige zaak loopt bij Uw Raad.

3.12

Er zijn echter ook passages uit de parlementaire behandeling waarin de regering de traditionele omschrijving van allocatiefunctie lijkt te hanteren, bijvoorbeeld in diezelfde Nota naar aanleiding van het Verslag ook in antwoord op vragen van de VVD-fractie – al is dat bepaald niet helemaal eenduidig, gelet op de ruimer getrokken slotzin in deze passage:

“De leden van de VVD-fractie vroegen wat precies wordt bedoeld met de beperking van de uitzendrelatie tot die uitleners die bij de uitoefening van hun beroep of bedrijf arbeidskrachten ter beschikking stellen aan derden; of een ingenieursbureau, dat enkele personeelsleden elders detacheert, ook onder deze definitie valt, zo nee, waarom niet en zo ja, wat dit dan betekent voor de betreffende werknemers. De voorgestelde regeling van de uitzendovereenkomst geldt alleen voor die werkgevers die daadwerkelijk een allocatiefunctie op de arbeidsmarkt vervullen. Het gaat daarbij om werkgevers (intermediairs) die er hun bedrijf of beroep van maken om vraag en aanbod van tijdelijke arbeid bij elkaar te brengen. Het gaat in de praktijk dan om uitzendbureaus, detacheerbedrijven en arbeidspools.” 23

De regering spreekt hier van “vraag en aanbod van tijdelijke arbeid bij elkaar brengen”, wat wijst op een traditionele allocatiefunctie, waaraan extra gewicht lijkt te worden toegekend door het woord “daadwerkelijk”. Maar echt traditioneel of beperkt kan het ook niet zijn bedoeld, omdat in de laatste zin weer breed wordt getrokken naar niet alleen uitzendbureaus, maar ook detacheerbedrijven en arbeidspools, waarin die traditionele allocatiefunctie minder duidelijk aanwezig lijkt te zijn.

Voorstanders van de visie dat een traditionele allocatiefunctie is vereist beroepen zich ook op deze passages uit het algemene deel van de MvT onder hoofdstuk 7 met als kop: De uitzendovereenkomst:

“Het werken voor en via uitzendbureaus is de afgelopen jaren sterk in omvang toegenomen. De uitzendformule vervult een belangrijke allocatiefunctie op de arbeidsmarkt t.w. het aldus bij elkaar brengen van de vraag naar en het aanbod van tijdelijke arbeid. Die functie moet behouden blijven.”24

En:

“Het bijzondere karakter van de uitzendovereenkomst is gelegen in het feit dat de allocatieve functie van de uitzendovereenkomst impliceert dat partijen een zekere vrijheid hebben terzake van het aangaan en verbreken van hun arbeidsrelatie.”25

Ik denk dat deze laatste twee passages niet los gezien mogen worden van de hiervoor in 3.11 geciteerde delen uit de opvolgende alinea’s van p. 10 van de MvT – en dus in die context begrepen moeten worden – waarin juist duidelijk wordt dat een ruim begrip uitzendovereenkomst beoogd is en tegelijkertijd gerefereerd wordt aan een dienovereenkomstig ruim allocatiebegrip, zoals we hebben gezien.

Ik geef echter graag toe dat men de regering hier niet kan betichten van voldoende scherp onderscheiden en dito hanteren van begrippen. Dat speelt ons parten in deze zaak, maar ik kom na het bezien van rechtspraak en literatuur tot een interimanalyse over wat zich nu lijkt aan te dienen als een tegenstelling.

Rechtspraak

3.13

De civiele kamer van Uw Raad heeft zich nog niet uitgelaten over de vraag of en in welke zin een allocatiefunctie vereist is bij het begrip uitzendovereenkomst in art. 7:690 BW. Het onderwerp kwam zijdelings op in de conclusie van A-G Wissink voor een arrest uit 2010,26 een zaak die met art. 81 RO is afgedaan. Daar was de vraag of de arbeidsovereenkomst van een tennisleraar met een uitlenende stichting stilzwijgend was overgegaan in een arbeidsovereenkomst met de tennisvereniging waar hij zijn werk verrichtte.27 Het hof antwoordde ontkennend, hetgeen dus in stand bleef bij Uw Raad. De vraag naar een allocatievereiste speelde in feite niet; de tennisleraar had aangevoerd dat het niet om een prototype uitzendovereenkomst ging, wat volgens A-G Wissink een variatie was op het allocatie-argument in de discussie rond payrolling “namelijk dat de uitzendrelatie de inleenrelatie volgt in plaats van andersom”.

3.14

Het begrip uitzendovereenkomst uit artikel 7:690 BW is wel aan de orde geweest in een arrest oversectorindeling van de derde kamer van Uw Raad van 17 juni 2011 (Intra-concern).28 De reikwijdte van art. 7:690 en 7:691 BW speelde daarbij ook een rol. A-G Van Ballegooijen heeft in zijn conclusie voor dat arrest een overzicht gegeven van de materie in 4.1-5.19, waarbij naast de fiscale ook de civielrechtelijke regelgeving uitgebreid aan bod komt.

A-G Van Ballegooijen verstaat de besproken wetsgeschiedenis, die hij in 4.8 van zijn conclusie de revue laat passeren, naar zich laat aanzien in 5.7 als wijzend in de richting van een traditionele allocatiefunctie als constitutief vereiste. Dat zegt hij naar mij wil voorkomen niet duidelijk met zoveel woorden, omdat hij inzoomt op terbeschikkingstelling in concernverband waar het in die zaak om te doen was. Zie ik het goed, dan heeft het hof in die zaak beslist dat ook bij intra-concern uitlening van personeel sprake kan zijn van een uitzendovereenkomst, wat de derde kamer van Uw Raad sauveerde. In eerste aanleg en bij het hof was in deze zaak niet ter sprake gebracht dat geen sprake was van een allocatiefunctie. De derde kamer van Uw Raad is – andermaal indien ik dat goed zie – alleen op het niet voorhanden zijn van een allocatiefunctie ingegaan, voor zover de belanghebbende aanvoerde dat niet aan derden, maar intra-concern ter beschikking werd gesteld en dat dat de reden was van het niet voldaan zijn aan de vereisten van art. 7:690 BW. Dat is in die zaak niet geaccepteerd. Dat werpt volgens mij geen verhelderend licht op de allocatiekwestie in onze zaak.

3.15

In de lagere rechtspraak heerst verdeeldheid. Zo heeft Hof Amsterdam in een ander arrest29 uit 2014, waar StiPP ook partij was, net als in onze zaak geoordeeld dat geen allocatiefunctie is vereist. In appel stond vast dat ICT-onderneming Freshconnections “bedrijfsmatig aan derden medewerkers ter beschikking stelt om in de onderneming van de opdrachtgever werkzaamheden te verrichten”. Het hof komt tot het oordeel dat de onderneming onder het verplichtstellingsbesluit valt. Over het al dan niet vereist zijn van een allocatiefunctie is het hof heel kort:

“3.6 Voor zover Freshconnections heeft aangevoerd dat meer of andere eisen gelden, zoals een uitzendbeding in de arbeidsovereenkomsten van degenen die ter beschikking zijn gesteld, berust dat op onjuiste lezing van het besluit. Hetzelfde geldt voor het beroep dat Freshconnections erop heeft gedaan dat zij geen allocatiefunctie verricht. Die eis is in artikel 7:690 BW niet te lezen, noch vloeit zij daaruit voort.”

In gelijke zin oordeelde de Amsterdamse kantonrechter in 201430 bij een flexwerkovereenkomst met een payroll-organisatie.

3.16

Aan de andere kant heeft Hof Arnhem-Leeuwarden31 in een arrest van 3 februari 2015 over onder andere de toepasselijkheid van de CAO Uitzendkrachten in een intra-concern verhouding geoordeeld dat uit de parlementaire geschiedenis is af te leiden is dat een allocatiefunctie wel vereist is. Het hof verwijst naar verschillende hiervoor geciteerde passages uit de parlementaire behandeling, maar gaat niet in op het onderscheid tussen de traditionele en ruime allocatiefunctie.

3.17

De kantonrechter te Assen heeft in een vonnis32 van 1 mei 2015 onder verwijzing naar het vorige arrest ook aangenomen dat een allocatiefunctie vereist is. Het betrof een oproep taxichauffeur die na een aantal verlengingen van zijn tijdelijke arbeidsovereenkomst werd ondergebracht bij een soort uitzendbureau. Naar het oordeel van de kantonrechter was slechts de bedoeling de ketenbepaling van art. 7:668a BW te ontduiken en vervulde de uitzender bovendien geen allocatiefunctie.

3.18

Hetzelfde lijkt mij te gelden voor de Enschedese kantonrechter in een payrolling zaak.33

3.19

In vergelijkbare zin oordeelden de kantonrechters te Almelo en Arnhem.34 Ook de Amsterdamse kantonrechter heeft in (nog) een vonnis35 uit 2013 overwogen dat een allocatiefunctie vereist is. Het betrof een werknemer die op grond van een overeenkomst met payrollbedrijf Iterra werkzaam was bij de ING Bank. Aan de orde was de vraag of in de specifieke omstandigheden van dat geval sprake was van een arbeidsovereenkomst met Iterra of de bank. De kantonrechter woog mee dat niet kon worden aangenomen dat Iterra “een allocatiefunctie op de arbeidsmarkt” vervulde, zodat art. 7:690 BW niet van toepassing was.

3.20

In een aantal uitspraken is ook geoordeeld dat een allocatiefunctie wel vereist is, maar werd vervolgens geoordeeld dat daaraan was voldaan, waarbij niet altijd duidelijk is of dit in ruime of traditionele zin wordt gebruikt. Dezelfde Amsterdamse kantonrechter als in onze zaak oordeelde in de TMI/StiPP-zaak36 dat in dat geval van detachering met een vast dienstverband zonder uitzendbeding wel sprake was van uitzendovereenkomsten in de zin van art. 7:690 BW. De rechter kwam tot dat oordeel nadat eerst werd overwogen dat blijkens de parlementaire geschiedenis een allocatiefunctie vereist is – hier blijkens de overwegingen net als in onze zaak in eerste aanleg in traditionele zin opgevat.

Dit is een andere uitkomst dan waartoe deze kantonrechter in eerste aanleg van onze zaak kwam; ik kom daar bij de bespreking van het leiding en toezicht-vereiste nog op terug.

Allocatie in ruime zin komen we bijvoorbeeld weer tegen in een bestuursrechtelijk geschil over dispensatie met betrekking tot een algemeen verbindend verklaarde CAO voor Uitzendkrachten 2004-2009, waar het oordeel luidde dat een actieve rol bij het samenbrengen van arbeidskrachten en derden niet is vereist37.

Literatuur

3.21

In de civielrechtelijke literatuur is de discussie over de allocatiefunctie ook in de jaren na het Intra concern-arrest voortgezet. Er zijn verschillen in de wijze waarin het begrip allocatiefunctie wordt opgevat. Sommige auteurs maken expliciet het hiervoor besproken onderscheid tussen de ruime opvatting en de traditionele, zij het in verschillende bewoordingen. Anderen spreken alleen over “een” allocatiefunctie en doelen dan volgens mij meestal (min of meer) op de traditionele variant. Met name lijkt het dan te gaan om het tijdelijke van de uitzending om “ziek of piek” op te vangen, ter onderscheiding van varianten waarbij werknemers langduriger ter beschikking worden gesteld of terbeschikkingstelling aan de orde is van gespecialiseerde arbeidskrachten die de opdrachtgever zelf niet tot zijn beschikking heeft (consultancy-achtige figuren). Ook wordt wel relevant gevonden of de werkgever dan wel de opdrachtgever de werving en selectie doet. Bij payrolling neemt de formele werkgever vaak alleen het formele werkgeverschap op zich of zelfs alleen enkele praktische aspecten zoals loonadministratie, maar onder deze noemer vallen uiteenlopende varianten.38

3.22

Eén van de voornaamste pleitbezorgers van het standpunt dat voor toepassing van artikel 7:690 BW een traditionele allocatiefunctie vereist is, is Zwemmer. Hij heeft dit in zijn dissertatie en verscheidene andere publicaties betoogd.39 Hij meent dat de parlementaire geschiedenis zo uitgelegd moet worden en meent ook dat het onwenselijk is om met name de beperktere ontslagbescherming van toepassing te laten zijn bijpayroll-constructies. In zijn bespreking van de dissertatie van Zwemmer heeft Sagel (overigens cassatie-advocaat van StiPP in deze zaak) opgemerkt dat Zwemmer met “krachtige argumenten” onderbouwt dat de reikwijdte van art. 7:690 BW beperkt is tot uitzenders met een daadwerkelijke allocatiefunctie op de arbeidsmarkt.40 Ook Houweling en Van der Voet41 menen dat de traditionele allocatiefunctie vereist is.

3.23

De andere stroming in de literatuur acht geen traditionele allocatiefunctie vereist. Bouwens42 merkt in zijn bespreking van de dissertatie van Zwemmer op dat diens standpunt betwistbaar is en meent dat het vereiste van de (naar ik begrijp traditionele) allocatiefunctie alleen ziet op het regime van art. 7:691 BW, zoals ook Grapperhaus43 (advocaat in appel in deze zaak voor StiPP) en Verburg44 bepleiten. Bevers en Brouwer hebben in hun lezenswaardige JIN-noot45 onder het vonnis in eerste aanleg in de onderhavige zaak gewezen op de onduidelijkheid over wat wordt bedoeld met een allocatieve functie. Zij leiden uit de parlementaire geschiedenis af dat de kern is dat sprake moet zijn van bedrijfsmatige terbeschikkingstelling. Zij menen dat er wel een allocerend effect moet zijn, maar dat dit dan inhoudt dat geen sprake moet zijn van een papieren constructie of terbeschikkingstelling binnen concernverband. Er zijn nog meer auteurs die, met soms verschillende redeneringen, tot een vergelijkbaar standpunt komen, zodat dit de overheersende visie in de literatuur lijkt te zijn.46 Enkele auteurs geven aan dat zij de ruime reikwijdte van het begrip uitzendovereenkomst onwenselijk vinden, maar dat dat wel de geldende uitleg is wat hen betreft.47

3.24

Een deel van de bezwaren tegen een ruim toepassingsbereik van de titel heeft te maken met een kritische houding tegenover payrolling. Hoewel onder die vlag diverse schepen varen, is de grondtoon van die kritiek dat dit vaak een onwenselijke constructie is om werkgeversverplichtingen te omzeilen. Dan kan het niet de bedoeling zijn dat ook nog eens aanspraak gemaakt zou kunnen worden op het verlichte ontslagregime uit art. 7:691 BW. Dat argument kan men ook hanteren voor andere driehoeksarbeidsrelaties met terbeschikkingstellingselement die uitstijgen boven traditioneel uitzendwerk (“ziek en piek”). Met de Wet werk en zekerheid is in dat opzicht op een aantal punten bijgestuurd. In de Ontslagregeling48 is een aantal regels opgenomen die payrollwerknemers met betrekking tot ontslag in een vergelijkbare positie brengt als de reguliere werknemers van de opdrachtgever.

Interimanalyse

3.25

Dit festival van verdeeldheid en spraakverwarring overziend in wetsgeschiedenis, rechtspraak en literatuur over de vraag of en zo ja wat voor allocatiefunctie is vereist voor een uitzendovereenkomst van art. 7:690 BW, brengt mij tot de volgende gedachten.

3.26

De regeling van de uitzendovereenkomst in de Flexwet in 1999 beoogde aan de ene kant de positie van flexwerkers (klassieke uitzendwerkers en andere in de markt op- en voorkomende bedrijfsmatige detacheringsfiguren) in driehoeksarbeidsrelaties met terbeschikkingstellingsvormen te versterken door duidelijk te maken dat een uitzendovereenkomst ook een arbeidsovereenkomst is. Dat maakt begrijpelijk dat de bedoeling van de wetgever was om de grenzen voor dat soort relaties ruim te trekken, tot buiten die van het traditionele uitzendwezen (met klassieke allocatie van tijdelijke arbeid bij piekdrukte en ziekte/andere afwezigheid), zolang het maar ging om bedrijfs- of beroepsmatige terbeschikkingstelling met instructiegezag bij de inlener. Dat bracht de gewenste versterking in rechtspositie van gedetacheerden en arbeidspoolers en wat dies meer zij (payrolling ben ik in de parlementaire geschiedenis van de Flexwet niet tegen gekomen; dat fenomeen is kennelijk pas later tot ontwikkeling gekomen). Het gaat bij de definitie van art. 7:690 BW zodoende om een ruimer begrip allocatie op de arbeidsmarkt dan bij klassieke uitzending. Grens was consultancy zoals we dat kennen bij automatiseringsprojecten en dergelijke, dat viel er buiten. Tot zover lijkt het beeld helder.

3.27

Dat vertroebelt als men zich realiseert dat daarmee aan de andere kant wel een probleem werd gecreëerd, doordat niet de bedoeling lijkt te zijn geweest om de verminderde ontslagbescherming voor traditionele uitzendwerkers (gewenst voor de “ziek en piek”-gevallen) op de golven van die ruimer getrokken grens voor zulke driehoeksarbeidsrelaties te laten meebewegen voor gedetacheerden etc., waar geen sprake is van het klassieke bijeenbrengen van vraag en aanbod van zulke meestal tijdelijke arbeid.

3.28

Daar begint het problematische hinken op twee gedachten in parlementaire geschiedenis, rechtspraak en literatuur volgens mij. Als men zich dit maar realiseert, wordt begrijpelijk waarom in de literatuur een niet altijd even inzichtelijk gemaakt onderscheid voorkomt soms tussen een allocatiefunctie voor omkadering van art. 7:690 BW (ruime of misschien wel helemaal geen allocatiefunctie nodig) en de allocatiefunctie vereist voor art. 7:691 BW, waarbij de zwakkere rechtspositie en verminderde ontslagbescherming wel door de beugel kan voor de “piek en ziek”-gevallen, maar niet voor andere gedetacheerden etc., die wel via de ruimere band van art. 7:690 BW zijn “binnengehaald”. Ook een bepaling als art. 7:691 lid 6 BW is ingegeven door die gedachte.

3.29

In dit denkkader lost veel van wat troebel schijnt volgens mij helder op. Ik begrijp dat A-G Wattel in zijn een dezer dagen te nemen conclusie in de meerbesproken parallelle zaak voor wat betreft de allocatiefunctie-discussie tot een overeenkomstige algemene analyse komt als ik. Daarmee is de spagaat in de parlementaire geschiedenis tussen ruime en klassieke allocatie te begrijpen en niet meer dan een paradox. Omdat het verplichtstellingsbesluit verwijst naar art. 7:690 BW en niet naar art. 7:691 BW, is daarmee verwezen naar een ruim allocatiebegrip, althans niet naar een klassiek of traditioneel allocatiebegrip, zoals zou gelden bij verwijzing naar art. 7:691 BW – zo zou je ter afronding deze gedachtegang kunnen samenvatten. Dat maakt duidelijk dat voor uitzendovereenkomst in de zin van art. 7:690 BW geen traditioneel “piek en ziek” allocatiepatroon voorhanden behoeft te zijn.

3.30

Terzijde merk ik op dat dit criterium ook een bruikbaar onderscheidend handvat lijkt te bieden om grip te krijgen op lastig te vatten nieuwe fenomenen als payrolling. Er moet gelet op de wettelijke omschrijving van – heel kort samengevat – beroeps-/bedrijfsmatige terbeschikkingstelling van werknemers aan derden krachtens opdracht wel een vorm overblijven van allocatie op de arbeidsmarkt in deze ruim opgevatte zin. Klassieke consultancy49valt daarbuiten, zo hebben we gezien, omdat geen sprake is van terbeschikkingstelling van arbeid, maar van dienstverlening en dat geldt ook voor niet beroeps-/bedrijfsmatige (incidentele) uitlening. Maar ik denk dat binnen dit denkkader ook bijvoorbeeld de meest vergaande vorm van payrolling buiten de uitzendovereenkomst van art. 7:690 BW valt. Ik bedoel daarmee de variant waarbij de payroller in feite alle – oneerbiedig gezegd – “personeelssores” overneemt van de “inlener”, waar geen allocatieve functie op de arbeidsmarkt in welke ruime zin dan ook meer valt te ontwaren, maar er sprake is van een formeel werkgeverschap van de payroller volgens de arbeidsvoorwaarden van de opdrachtgever/“inlener” (permanente overname van arbeidscontracten)50. Depayrollwerkgever speelt dan geen enkele rol bij het bij elkaar brengen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt, zo zou men kunnen zeggen, maar slecht bij de formele en administratieve uitvoering van de overeenkomsten.

3.c Leiding en toezicht

3.31

In de wetsgeschiedenis van de Flexwetgeving is niet toegelicht hoe het begrip “leiding en toezicht” moet worden opgevat. Het ligt voor de hand daarvoor aansluiting te zoeken bij het gezagsvereiste uit art. 7:610 BW51. Zo’n gezagsverhouding in een “gewone” arbeidsovereenkomst kan ook worden aangenomen bij beroepen en functies waarin de werknemer een grote mate van zelfstandigheid heeft bij de uitvoering van zijn of haar werkzaamheden; de bevoegdheid bindende instructies te geven hoeft niet betrekking te hebben op de inhoud van het werk en het zal er dan om gaan of de bevoegdheid bestaat aanwijzingen te geven ter bevordering van de goede orde binnen de onderneming of het werkverband, om het in de treffende woorden van Bouwens en Duk te formuleren52. Als je als “gewone” werkgever al niet vakinhoudelijk kunt instrueren bij functies die met een hoge mate van zelfstandigheid worden uitgeoefend (zoals bij artsen en ander zorgpersoneel, maar ook bij bijvoorbeeld advocaten en accountants in dienstverband), maar dan niettemin wel een arbeidsrechtelijke gezagsverhouding kunt uitoefenen, dan zou het ongerijmd zijn om bij detachering van dergelijk personeel te willen eisen dat het corresponderende leiding en toezichtsvereiste uit art. 7:690 BW dan opeens wel vakinhoudelijk gerelateerd zou moeten zijn, in die zin dat pas aan dit vereiste zou zijn voldaan als van de “materiële werkgever/inlener” gezegd kan worden dat deze arbeidsinhoudelijk gerelateerde instructiebevoegdheid zou hebben. Je kan immers niet meer bevoegdheden “overdragen” dan je zelf hebt. Anders gezegd: je kan bij functies die inhoudelijk min of meer hooggekwalificeerde arbeid vergen (en waarbij vakinhoudelijke instructiebevoegdheid niet voor de hand ligt of beperkt is) niet aannemen dat die nooit in detacheringsverband vallend onder het ruime bereik van art. 7:690 BW zouden kunnen worden verricht, omdat het vereiste van leiding en toezicht uit art. 7:690 BW mee zou brengen dat het daarbij om vakinhoudelijke instructies zou moeten gaan. Dat komt ongerijmd voor, maar is in mijn analyse op de keper beschouwd wel de portee van de positie van C4C op dit punt in deze procedure. Dat dwaalspoor heeft het hof terecht niet op willen gaan en de cassatieklachten daartegen van onderdeel 2 zijn daarmee eigenlijk hierom al meteen gedoemd te falen.

3.32

Ik wijs in dit verband op een interessante annotatie van Degelink onder de hiervoor al genoemde zaak TMI/StiPP53. Daarin kwam dezelfde Amsterdamse kantonrechter als in onze zaak tot een tegenovergestelde uitspraak als in de eerste aanleg van onze zaak, kort gezegd, omdat het gedetacheerde personeel bij TMI hetzelfde werk verrichte als bij de inlener, terwijl dat bij C4C volgens de kantonrechter anders was. Degelink plaatst hier volgens mij terecht vragen bij, omdat deze benadering ertoe leidt dat de juridische kwalificatie wel of geen uitzendovereenkomst afhangt van de vraag of de inlener eigen werknemers in dienst heeft die hetzelfde werk doen als de gedetacheerde. Terecht voert Degelink aan dat – zoals hiervoor al aangegeven – een inlener ook toezicht en leiding (gezag) kan uitoefenen als de inlener geen inhoudelijke kennis heeft van de gedetacheerde en/of geen eigen werknemers in dienst heeft die hetzelfde werk doen als die gedetacheerde. Dat kan meewegen, maar kan niet de maatstaf zijn; volgens Degelink hangt het af van de aard van de opdracht van de inlener aan de werkgever en de daarover gemaakte afspraken tussen inlener en werkgever of sprake is van toezicht en leiding. Daar ben ik het graag mee eens. In wezen is dat ook wat het hof in onze zaak heeft getoetst, zoals we hierna zullen zien.

3.33

In het Intra concern-arrest is verduidelijkt dat de feitenrechter aan de hand van de feiten en omstandigheden zal moeten vaststellen bij wie toezicht en leiding liggen54 en in zijn motivering zal moeten aangeven welke factoren naar zijn oordeel redengevend waren.

3.34

In een enkele uitspraak wordt wel geleerd dat aan het leiding en toezichtsvereiste niet zal zijn voldaan als sprake is van “hooggekwalificeerde arbeid” of van het outsourcen van werkzaamheden55. Het is goed denkbaar dat een opdrachtgever niet in staat is om leiding te geven of toezicht te houden op specialistisch, hooggekwalificeerd personeel, maar dat zal dan altijd moeten blijken bij de beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Het omgekeerde is ook goed voorstelbaar, zoals we hiervoor hebben gezien. Met name als een (beweerdelijke) uitzendwerkgever zich erop toelegt aan organisaties die actief zijn in een bepaalde sector personeel ter beschikking te stellen dat is gespecialiseerd op hetzelfde terrein, is in een bepaalde feitenconstellatie wel degelijk mogelijk dat de materiële feitelijke gezagsverhouding/instructiebevoegdheid/toezicht en leiding bij de opdrachtgever liggen. Dat kan bijvoorbeeld zo zijn bij terbeschikkingstelling van medisch of sector gespecialiseerd personeel aan zorginstellingen. Het komt daarbij uiteindelijk aan op een beoordeling van de relevante omstandigheden van het concrete geval en met name de aard van de opdracht van de inlener en dat is een in hoge mate feitelijke exercitie.

3.35

Opvallend is een arrest56 van Hof Den Bosch van 21 oktober 2014 over een onderneming die arbeidskrachten ter beschikking stelt in de agrarische sector. Aan de orde was de vraag of de CAO Uitzendkrachten van toepassing was en in het licht daarvan beoordeelde het hof of sprake was van uitzending of aanneming van werk. Het Hof oordeelde hier dat sprake was van leiding en toezicht door de opdrachtgever. Daar stond niet aan in de weg dat voornamelijk sprake was van Poolse arbeiders, bij de opdrachtgever niemand Pools sprak en de directeur van de werkgever daarom instructies gaf. Zwemmer en Van der Velden zijn in hun noten onder het arrest kritisch over dit oordeel. Het feitelijk werkgeversgezag waar art. 7:690 BW op ziet, kan niet worden gedelegeerd, is de kritiek. Het oordeel van het Hof zou overigens te maken kunnen hebben met de rommelige wijze waarop de overeenkomsten waren ingericht, vrees voor misbruik en het feit dat de werkgever voor de pensioenpremies aangesloten was bij StiPP. Van der Velden benadrukt als algemene maatstaf dat voor de beoordeling zorgvuldig naar de feitelijke situatie moet worden gekeken en hoe uitvoering moet worden gegeven aan de overeenkomst. Hij vraagt zich ook af of het wel voor de hand ligt om bij de uitleg van de uitzendovereenkomsten de Haviltex-maatstaf te hanteren en naar de bedoeling van de uitzendwerkgever en –werknemer te kijken, nu procespartij SNCU geen partij was bij die overeenkomsten.

4Bespreking van het cassatiemiddel

4.1

Het cassatiemiddel bestaat uit vier onderdelen, waarvan de eerste twee enkele subonderdelen bevatten. Ik stel daarbij ter voorkoming van begripsverwarring voorop dat het hof allocatiefunctie in rov. 3.12 van het arrest gebruikt in klassieke zin, omdat de kantonrechter dat in rov. 5-7 ook in die zin heeft opgevat en grieven I en II met hun bestrijding van een allocatiefunctie als constitutief vereiste zodoende ook (alleen) die klassieke vorm op het oog (kunnen) hebben.

Onderdeel 1 richt zich tegen rov. 3.12 waarin het hof tot het oordeel komt dat voor de toepassing van art. 7:690 BW niet vereist is dat de werkgever een traditionele allocatiefunctie vervult.

Onderdeel 2 klaagt over de verwerping in rov. 3.14 dat niet is voldaan aan het leiding en toezicht vereiste.

Onderdeel 3 klaagt dat het hof ten onrechte het (tegen)bewijsaanbod van C4C heeft gepasseerd en onderdeel 4 behelst een louter voortbouwende klacht.

4.2

Subonderdeel 1.1 klaagt dat het hof de stellingen van C4C onjuist heeft opgevat, voor zover het meende dat C4C zich op het standpunt stelde dat voor het aannemen van een uitzendovereenkomst sprake moet zijn van een allocatiefunctie in de zin dat “de werkgever zich met name bezig houdt met het bij elkaar brengen van vraag en aanbod van tijdelijke arbeid zoals vervanging van werknemers tijdsens ziekte of andere afwezigheid, het opvangen van piekuren of soortgelijke plotseling opkomende werkzaamheden”. C4C heeft niet bepleit dat dit vereist was, zo luidt de klacht, maar alleen dat sprake moet zijn van een allocatiefunctie in de zin van het bij elkaar brengen van vraag en aanbod van tijdelijke arbeid, niet dat het per se zou moeten gaan om “ziek of piek”-gevallen.

4.3

Deze klacht kan niet tot cassatie leiden, omdat duidelijk is dat het hof hier slechts omschrijft dat het vizier is gericht op de klassieke, traditionele allocatiefunctie, waarvan de kantonrechter had aangenomen dat die constitutief vereiste is, maar waarvan naar het oordeel van het hof geen sprake hoeft te zijn wil sprake zijn van een uitzendovereenkomst in de zin van de wet. Dat hier gelet op de rechtsstrijd alleen traditionele en geen ruime allocatie bedoeld moet zijn, gaf ik hiervoor al aan in 4.1. Je kan ook zeggen dat de klacht faalt bij gebrek aan belang. Met de aangevallen toevoeging is door het hof niets anders bedoeld, dan wat C4C heeft aangedragen, namelijk dat klassieke allocatie is vereist.

4.4

Subonderdeel 1.2 bevat de meer principiële rechtsklacht dat een klassieke allocatiefunctie constitutief vereiste is voor het aannemen van uitzendovereenkomst.

4.5

In de interimanalyse heb ik aangegeven dat en waarom daarvan volgens mij geen sprake is, zodat ik meen dat deze rechtsklacht faalt. Er is wel een ruime allocatiefunctie nodig, maar daaraan is in ons geval voldaan: C4C alloceert op de markt van vraag en aanbod van gespecialiseerd zorgpersoneel in een niet incidentele vorm en dat is een detacheringsvorm die uitdrukkelijk is voorzien door de Flexwetgever destijds. In die zin is het niet onderscheidend taalgebruik van “allocatiefunctie” sec, zoals gebezigd door het hof in rov. 3.12 misschien minder gelukkig – omdat wel een allocatie in ruime zin moet kunnen worden gedetecteerd, zoals we hebben gezien. Wij moeten daarbij voor ogen houden dat het hof blijkens de bewoordingen van rov. 3.12 met allocatiefunctie sec allocatiefunctie in ruime zin bedoelde, gelet op de “ziek of piek”-kwalificatie die volgt op “allocatiefunctie vervult”, namelijk: “in die zin dat, zoals C4C bepleit, art. 7:690 BW uitsluitend van toepassing is indien de werkgever zich met name bezig houdt met het bij elkaar brengen van vraag en aanbod van tijdelijke ziekte zoals vervanging van werknemers tijdens ziekte of andere afwezigheid, het opvangen van piekuren of soortgelijke plotseling opkomende werkzaamheden.”

4.6

Onderdeel 2 richt zich met drie subonderdelen tegen rechtsoverweging 3.14, waarin het hof het betoog van C4C verwerpt dat haar gedetacheerde werknemers niet onder leiding en toezicht van haar opdrachtgevers staan.

Subonderdeel 2.1 klaagt dat het hof de stellingen/gedingstukken van C4C op een onbegrijpelijke manier heeft uitgelegd door te overwegen dat C4C niet heeft betwist dat de door StiPP in het geding gebrachte mantelovereenkomst datgene behelst, wat zij met haar opdrachtgevers pleegt overeen te komen. C4C heeft immers bij pleidooi57 bij het hof gesteld dat art. 3.6 van de mantelovereenkomst waar het hof zich op richt per opdrachtgever kan verschillen en dat behelst zodanige betwisting volgens de klacht.

4.7

De uitleg van gedingstukken is in beginsel voorbehouden aan de feitenrechter. Het hof heeft de stelling waar het subonderdeel zich op beroept kennelijk onvoldoende geacht en dat komt niet onbegrijpelijk voor. C4C heeft volstaan met de enkele niet nader (met stukkken/voorbeelden/cijfers) onderbouwde opmerking bij pleidooi in appel dat de overeenkomst kan variëren. Niet is aangegeven hoe vaak en in welke zin, laat staan dat onderbouwd is dat de betreffende bepaling, waarin zeggenschapsbevoegheid expliciet wordt overgedragen aan de inlener, in de praktijk anders wordt overeengekomen. Het hof mocht menen dat dat niet kwalificeert als voldoende gemotiveerde betwisting in deze omstandigheden. Bovendien ontkracht de stelling dat een bepaling kan variëren op zich nog niet dat die bepaling doorgaans pleegt te worden overeengekomen.

4.8

Subonderdeel 2.2 begint met de voortbouwende klacht dat het oordeel dat C4C instructiebevoegdheid aan haar opdrachtgevers overdraagt op grond van klacht 2.1 al onbegrijpelijk is, maar aangezien dat onderdeel niet slaagt, slaagt deze daarop voortbordurende klacht evenmin.

4.9

Subonderdeel 2.2 voert verder aan dat het oordeel ook op zichzelf rechtens onjuist of onbegrijpelijk is. C4C had daaromtrent een reeks aan stellingen aangevoerd. Het hof heeft die niet in zijn oordeel betrokken, maar zich alleen gebaseerd op een taalkundige uitleg van art. 3.6 van de mantelovereenkomst. Daarmee heeft het hof de Haviltex-maatstaf niet (juist) toegepast, aldus de klacht, of is het oordeel ontoereikend gemotiveerd.

Volgens de klacht heeft C4C gesteld:

(i) dat art. 3.6 van de mantelovereenkomst moet worden gelezen in de context van de andere leden van het artikel;58

(ii) dat de werkelijkheid niet met het vermelde in de overgelegde versie van art. 3.6 van de mantelovereenkomst strookt;59

(iii) dat de aansturing van de ter beschikking gestelde werknemers vanuit C4C plaatsvindt;60

(iv) dat dit gebeurt via een tweetal accountmanagers (die in wezen leidinggevenden zijn);61 en

(v) dat haar opdrachtgevers geen leiding geven en/of toezicht houden op C4C’s werknemers.62

Ter onderbouwing is door C4C gewezen op:

  • -
  1. vi) de aard van de door haar ontplooide activiteiten en
  • -

vii) de wijze waarop haar bedrijfsvoering is opgezet.63

Meer concreet heeft C4C volgens de klacht aangevoerd:

(viii) dat zij geen personeel uitleent, maar kennis, deskundigheid en ervaring verkoopt;64

en gesteld:

  1. ix) dat haar werknemers hoogopgeleide (zorg)specialisten zijn, die – zelfstandig – hooggekwalificeerde werkzaamheden verrichten;65
  2. x) dat haar opdrachtgevers de bedoelde kennis, deskundigheid en ervaring zelf niet in huis hebben en om die reden geen leiding en toezicht kunnen uitoefenen;66
  3. xi) dat haar opdrachtgevers geen instructiebevoegdheid hebben ter zake van de inhoud van de werkzaamheden, maar hooguit ten aanzien van zaken als de plaats waar de werkzaamheden moeten worden verricht of de werktijden;67en

xii) dat StiPP niet bij de opstelling en de uitvoering van de mantelovereenkomst betrokken is (geweest) en daar dus ook niets zinnigs over kan zeggen.68

4.10

De rechtsklacht is gebaseerd op een onjuiste lezing van het arrest en mist dus feitelijke grondslag. Het hof heeft zich niet beperkt tot een zuiver taalkundige uitleg van de mantelovereenkomst, maar ook naar de uitvoering daarvan. Het hof is in de tweede helft van rov. 3.14 op (een aantal van) de door het subonderdeel aangehaalde stellingen ingegaan, waar het overweegt:

“Daaraan doet niet af dat de desbetreffende werknemers hoogopgeleid zijn en gespecialiseerde werkzaamheden verrichten, ten aanzien waarvan de opdrachtgevers zelf over onvoldoende kennis beschikken en die hun werkzaamheden overeenkomstig hun eigen professionele standaarden verrichten, zoals C4C heeft gesteld of dat C4C een tweetal accountmanagers in dienst heeft die de desbetreffende medewerkers begeleidt. Ook ten aanzien van professionals, die krachtens een arbeidsovereenkomst werkzaam zijn heeft de werkgever een instructiebevoegdheid. Die bevoegdheid is in het onderhavige geval overgedragen aan de derde aan wie de werknemer door de werkgever ter beschikking is gesteld.”

4.11

In wezen beoogt dit subonderdeel een feitelijke heroverweging van de leiding- en toezichtstoets, maar daarvoor is geen plaats in cassatie.

Ik stel verder voorop dat de feitenrechter niet gehouden is op alle stellingen van partijen in te gaan.

De motiveringsklacht kan verder al niet slagen, voor zover wordt geklaagd dat het hof op al deze stellingen niet zou zijn ingegaan, want dat is niet zo, zoals we hebben gezien.

Ik zal nog kort de afzonderlijke stellingen nalopen en dan blijkt volgens mij dat daar afdoende op is gerespondeerd door het hof.

Een aanzienlijk deel van de stellingen, nrs. (iii)-(xi), hangt met elkaar samen en/of vertoont overlap. Die stellingen zijn volgens mij voldoende kenbaar verworpen met het hiervoor weergegeven deel uit rov. 3.14. In wezen is de aard van de opdracht getoetst door het hof aan de hand van mantelovereenkomst die naar ’s hofs oordeel niet steekhoudend genoeg is ontzenuwd door C4C en dat het om hoog gekwalificeerd personeel zou gaan met beweerdelijke kennis die niet bij de inleners aanwezig zouden zijn en dat de gedetacheerden hun werk naar eigen professionele standaarden verrichten en worden begeleid door twee accountmanagers weegt daar volgens het hof onvoldoende tegen op. Dat eerste aspect is hiervoor al de revue gepasseerd; dat staat niet in de weg aan de mogelijkheid van de opdrachtgevers van C4C om gezag uit te oefenen. Dat twee accountmanagers niet het volledige gezag kunnen uitoefenen over minimaal 36 werknemers die verspreid over diverse opdrachtgevers werkzaam zijn, behoeft nauwelijks bijzondere motivering vind ik.

De kennelijke verwerping van stelling (ii) is besproken bij de behandeling van onderdeel 2.1. Stelling (i) houdt in “dat artikel 3.6 van de mantelovereenkomst moet worden gelezen in de context van de andere leden van het artikel”. Die leden komen erop neer dat bij het overeenkomen van een concrete opdracht afspraken gemaakt worden over onder andere de te verrichten werkzaamheden; dat de werkzaamheden in nauw overleg met de projectleider van de opdrachtgever zullen plaatsvinden; dat de werknemer zich zal houden aan regels van de opdrachtgever over met name werktijden, wijze van uitvoering en verlof; en dat een functionaris van C4C op gezette tijden begeleidingsgesprekken met de werknemer zal voeren. Het is niet onbegrijpelijk dat het hof daarin niet heeft gelezen dat de werkelijkheid (in de regel) afwijkt van de nogal duidelijke bewoordingen van art. 3.6. Nadere motivering was dan volgens mij niet vereist.

In rov. 3.14 ligt naar mij voorkomt ook een kennelijke en niet onbegrijpelijke verwerping van stelling (xii) besloten. De gedachtegang van het hof is duidelijk geweest dat de bewoordingen van art. 3.6 duidelijk zijn, zodat een andere uitleg van die bepaling zelf niet erg voor de hand ligt. Naar het kennelijke en niet onbegrijpelijke oordeel van het hof is de stelling dat StiPP niet betrokken was bij de opstelling daarvan onvoldoende om de voor de hand liggende uitleg (de toets van de aard van de opdracht in relatie tot het uit te oefenen gezag) te verwerpen. De stelling dat StiPP niet bij de uitvoering betrokken was, kan eventueel een startpunt zijn voor een onderbouwing dat de praktijk (in belangrijke) mate anders is dan de tekst doet vermoeden. Het hof heeft, gezien de verwerping van de in dat opzicht aangevoerde stellingen (ii)-(xi), die onderbouwing kennelijk onvoldoende geacht. Dat is aan hem als feitenrechter voorbehouden en verder goed te volgen.

4.12

Subonderdeel 2.3 klaagt in de eerste plaats dat het hof in rov. 3.14 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over het begrip “leiding en toezicht” in art. 7:690 BW. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat de omstandigheden (i) dat sprake is van hoogopgeleide werknemers die gespecialiseerde werkzaamheden verrichten, waarbij de inleners niet zelf over voldoende kennis beschikken en die hun werkzaamheden overeenkomstig hun eigen professionele standaarden verrichten of (ii) dat C4C een tweetal accountmanagers in dienst heeft dat de desbetreffende werknemers begeleidt, (in algemene zin) niet af kunnen doen aan het oordeel dat leiding en toezicht bij de opdrachtgever ligt, gaat het hof volgens deze klacht uit van een onjuiste rechtsopvatting.

4.13

Deze rechtsklacht is gebaseerd op een onjuiste lezing van het arrest. Het hof heeft slechts geoordeeld dat deze omstandigheden in dit geval onvoldoende zijn om tot een ander oordeel te komen.

4.14

Het subonderdeel vervolgt met een motiveringsklacht, dat dat laatste oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is. In feite is dit een materiële herhaling van (een deel van) de motiveringsklacht van subonderdeel 2.2. De klacht wil ook hier in wezen bewerkstelligen dat tot een andere afweging wordt gekomen, maar daarvoor is geen plaats in cassatie. Subonderdeel 2.3 gaat dan ook niet op. Ik licht dat nog als volgt nader toe.

4.15

Het hof komt tot een andere uitkomst dan de hiervoor aangehaalde uitspraak van de kantonrechter te Deventer69, die (in ieder geval in die zaak) oordeelde dat het niet aannemelijk is dat de opdrachtgever leiding en toezicht geeft, als hij gespecialiseerde kennis inhuurt die hij zelf niet in huis heeft, vgl. ook A-G Van Ballegooijen in zijn conclusie voor het Intra concern-arrest. Dat dit een wet van Meden en Perzen is, heb ik hiervoor bij het aangeven van het juridisch kader al ontkracht, vgl. ook Degelink in zijn noot onder TMI/StiPP.70

Of sprake is van werkgeversgezag bij de inlener hangt af van de omstandigheden van het geval, met name de aard van de opdracht in dit opzicht. De door C4C gestelde omstandigheden kunnen in bepaalde gevallen leiden tot het oordeel dat in concreto de opdrachtgever geen leiding en toezicht geeft, maar dat kan in andere omstandigheden even goed anders zijn, zo hebben we gezien. Leiding en toezicht van een werkgever of opdrachtgever (dat maakt wat dit aspect betreft inhoudelijk geen verschil) op medewerkers die over specialistische kennis en vaardigheden beschikken, waarover deze zelf niet beschikt, is arbeidsrechtelijk geen onbekende figuur, zo hebben we hiervoor gezien, het geldt in wezen voor het merendeel van professionals in dienstverband. Het hof heeft de stelling van C4C dat de opdrachtgevers over onvoldoende kennis beschikken (om de werkzaamheden te verrichten die de werknemers van C4C verrichten) op zich niet beoordeeld en veronderstellenderwijs aangenomen dat daarvan sprake is, maar niet het standpunt overgenomen dat de opdrachtgevers van C4C daarom geen toezicht en leiding kunnen geven. Dat is gegeven de afhankelijkheid van de feitelijke omstandigheden niet onbegrijpelijk. C4C heeft haar positie ook hier onvoldoende concreet onderbouwd, terwijl uit de gedingstukken blijkt dat C4C in haar externe communicatie zelf benadrukt dat zij medisch personeel c.a. bij zorginstellingen detacheert. Zie bijvoorbeeld productie 5c van StiPP in eerste aanleg. Daar loopt het eerste deel van de klacht op stuk.

4.16

Het hof heeft kennelijk daarnaast gemeend dat de begeleiding door twee accountmanagers van al het door C4C aan opdrachtgevers terbeschikkinggestelde personeel (er is sprake van minimaal 36 werknemers) onvoldoende is om aannemelijk te maken dat leiding en toezicht bij C4C liggen en niet bij de opdrachtgevers. Dat oordeel lijkt me op zich al niet onbegrijpelijk, al helemaal niet in het licht van andere omstandigheden, zoals het onderzoek dat in opdracht van StiPP is uitgevoerd naar de feitelijke gang van zaken bij C4C (productie 4 van StiPP in eerste aanleg). Daarin wordt vermeld dat de accountmanagers 36 gedetacheerden begeleiden. Vervolgens staat er onder meer:

“Als ik de werkgever vraag hoe twee accountmanagers 36 medewerkers kunnen begeleiden, krijg ik het antwoord dat de dagelijkse leiding wel bij de opdrachtgever ligt (werkinstructiebevoegdheid), maar overall ligt deze toch bij Care 4 Care.”

De onderzoeker komt tot het oordeel dat de bevoegdheid tot het geven van instructies ten aanzien van de werkzaamheden, het toezicht daarop en de verantwoordelijkheid voor het bereiken van het beoogde resultaat berusten bij de opdrachtgever. C4C bepleit een ander standpunt, maar het hof heeft kennelijk geoordeeld dat dat onvoldoende concreet is onderbouwd. Ook dat acht ik in het licht van deze feiten goed te volgen.

4.17

Onderdeel 3 klaagt dat het hof ten onrechte het (tegen)bewijsaanbod van C4C heeft gepasseerd. C4C heeft op een aantal plekken71 in de processtukken (tegen)bewijs aangeboden. De rechtsklacht richt zich tegen het oordeel voor zover dat zou behelzen dat het tegenbewijsaanbod nader gespecificeerd had moeten worden, of het hof het bewijsaanbod niet relevant en/of onvoldoende concreet heeft geacht. De motiveringsklacht is dat het hof niet kenbaar het (tegen)bewijsaanbod van C4C heeft verworpen of het niet relevant en/of onvoldoende concreet heeft geacht.

4.18

De in de voetnoot bij de klacht genoemde vindplaatsen zien op verschillend (tegen)bewijs dat wordt aangeboden. Ik zal ze hierna afzonderlijk bespreken, te beginnen met vindplaatsen in de pleitnota van C4C in hoger beroep waar het bewijsaanbod op concrete stellingen ziet.

4.19

Het bewijsaanbod onder nr. 20 ziet op de stelling dat sprake is van arbeidsovereenkomsten in de zin van artikel 7:610 BW (en geen uitzendovereenkomsten). Het hof kon aan het bewijsaanbod op dit punt voorbijgaan, omdat het in rov. 3.7-3.8 heeft geoordeeld dat óók als de overeenkomsten kwalificeren als uitzendovereenkomsten, deze hoe dan ook arbeidsovereenkomsten zijn. Over de kwalificatie als dat laatste was dus geen bewijs meer nodig. Ik merk overigens op dat C4C er in appel van uitging dat beide opties elkaar uitsloten. Die opvatting heeft het hof als rechtens onjuist verworpen en leent zich niet voor bewijslevering.

4.20

C4C heeft in haar pleitnota onder nr. 32 (tegen)bewijs aangeboden van haar stelling “dat leiding en toezicht bij C4C berust en niet bij haar opdrachtgevers” door het horen van getuigen, waaronder de heer H.J. van Amerongen (directeur van C4C), de voormalige directie van het Joods verzorgingshuis Beth Shaloom te Amsterdam en de thuiszorgorganisatie Mea Vita uit Den Haag. C4C heeft in de paragrafen voorafgaand aan dit bewijsaanbod betoogd dat zij een specialistisch bedrijf is, de ter beschikking gestelde werknemers over deskundigheid beschikken die de opdrachtgevers zelf niet in huis hebben en dat zij twee accountmanagers in dienst heeft die zijn belast met leiding en toezicht. Het hof kon hieraan voorbij gaan, omdat zij veronderstellenderwijs tot uitgangspunt nam dat van deze aspecten sprake was (zoals door het hof weergegevn in rov. 3.13), maar dat die niet af konden doen aan het oordeel dat leiding en toezicht bij de opdrachtgevers van C4C berusten. Indien bewezen, zouden deze feiten in het oordeel van het hof dus niet tot een andere beslissing kunnen leiden.

4.21

Het bewijsaanbod in de pleitnota onder nr. 33 ziet op de stelling van C4C dat zij niet –of in ieder geval bij lange na niet voor de in het Verplichtstellingsbesluit genoemde norm van 50% van het premieplichtig loon op jaarbasis – als een “normaal” uitzendbureau werknemers ter beschikking stelt ter vervanging bij “ziek of piek”. Dat ziet op klassieke allocatie, maar dat is naar het oordeel van het hof geen vereiste voor een uitzendovereenkomst, zoals we hebben gezien, zodat dit bewijsaanbod als niet ter zake dienend kon worden gepasseerd.

4.22

De andere vindplaatsen72 die C4C noemt, strekken tot bewijs van “al haar stellingen”. Voor zover het bewijsaanbod ziet op de hiervoor behandelde stellingen, faalt de klacht op de daar aangegeven gronden.

Voor zover het algemene bewijsaanbod op andere stellingen ziet, voldoet het subonderdeel niet aan de aan een cassatiemiddel te stellen eisen. Een algemeen bewijsaanbod mag niet gepasseerd worden, als in de gedingstukken of het processuele debat duidelijk wordt gemaakt op welke de stellingen van een partij het aanbod betrekking had.73 Ook hoeft een aanbod tot tegenbewijs in beginsel niet te worden gespecificeerd.74 Maar subonderdeel 3 maakt op geen enkele wijze duidelijk tegen welke concrete, ondanks voldoende gemotiveerde betwisting, bewezen geachte stellingen van StiPP het hof ten onrechte geen tegenbewijs door C4C heeft toegelaten (naast de hiervoor besproken onderwerpen). Nu dat is verzuimd, kan het onderdeel ook in zoverre niet tot cassatie leiden.75

4.23

Onderdeel 4 bevat de louter voortbouwende klacht, dat het slagen van één van de eerdere klachten impliceert dat ook rov. 3.15 niet in stand kan blijven. Nu die klachten volgens mij falen, geldt hetzelfde voor onderdeel 4.

Slot

4.24

Ik besluit met een opmerking dat de uitkomst van deze zaak, indien de lijn van deze conclusie gevolgd zou worden door Uw Raad, betekent dat C4C verplicht is aangesloten bij StiPP. Dat is mogelijk in die zin een wenselijke uitkomst, dat een dergelijke verplichtstelling is bedoeld ter bescherming van werknemers uit oogpunt van fatsoenlijke pensioenopbouw en uit oogpunt van solidariteit. Zoals StiPP bij pleidooi in appel76 heeft aangegeven, betalen werkgevers dezelfde doorsneepremie voor alle werknemers, of deze nu jong of oud zijn. Werkgevers met veel jonge werknemers kunnen misschien elders een goedkopere pensioenvoorziening afsluiten, maar dan zouden werkgevers met relatief dure, oudere werknemers achterblijven. Overigens bestaat de mogelijkheid voor StiPP om nog op grond van art. 6 van het Vrijstellings- en boetebesluit Wet BpF2000 om vrijstelling verzoeken (om “andere redenen dan genoemd in” de art. 2 (afgewezen inmiddels), 3, eerste lid, 4, 4a en 5, eerste lid, zo is daarin in algemene zin geregeld). Uit de parallelle CBB uitspraak lijkt te kunnen volgen dat zo’n verzoek ex art. 6 speelt, maar wat de merites en haalbaarheid daarvan zijn, onttrekt zich aan mijn waarneming. StiPP heeft bij pleidooi in appel77 ook aangegeven dat indien C4C voor haar werknemers een betere pensioenregeling wil, het haar vrijstaat een aanvullende regeling af te sluiten.

5Conclusie

Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1TK 2014-2015, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 2798.

2Zaak 15/04497, X/Staatssecretaris van Financiën), cassatie n.a.v. Hof Amsterdam 20 augustus 2015, nr. 14/00411 (niet gepubliceerd).

3Daarbij valt mede te betrekken dat men in het veld op duidelijkheid over deze kwestie zit te wachten – C4C meldt in haar pleitnota in hoger beroep onder 17 uit de mond van de voorzitter van StiPP te hebben opgetekend dat het om tenminste 100 procedures zou gaan waarin dezelfde vraag speelt. In de stukken gaat men er nog van uit dat in de procedure waarin C4C om vrijstelling vraagt van haar verplichte aansluiting bij StiPP – door Rb Rotterdam afgewezen (bij uitspraak van de bestuursrechter van 19 juli 2012, vgl. prod. 1 cvd 1e aanleg, ECLI:NL:RBROT:2012:BX2422), waarna beroep is aangetekend bij het CBB – op verzoek van C4C was geschorst hangende de uitkomst van de “onderhavige procedure” (vgl. MvG 3.3). Ambtshalve is mij gebleken dat het CBB inmiddels uitspraak heeft gedaan in die zaak (ruim na schriftelijke toelichtingen in de onderhavige zaak overigens): CBB 16 december 2015, ECLI:NL:CBB:2015:420, waarin de uitspraak van de Rotterdamse bestuursrechter is bevestigd, zodat die zaak inmiddels niet meer stilligt hangende de onderhavige cassatiezaak. Wel is in CBB 31 maart 2015, ECLI:NL:CBB:2015:106, PJ 2015/86 door het CBB in een andere zaak aangegeven dat de burgerlijke rechter de meest gerede rechter is om te oordelen over de vraag of een deelnemingsverplichting bestaat. Ook dit is een aanwijzing dat men op Uw uitspraak in deze zit te wachten. Overigens maak ik uit de parallelle CBB uitspraak in onze zaak op dat mogelijk nog een tweede vrijstellingsverzoek loopt ex art. 6 van het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf2000 (de nu afgedane zaak zag op een verzoek ex art. 2 van dat besluit).

4Rb Amsterdam (ktr.) 1 juli 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:6257, JIN 2013/151m.nt. E.M. Bevers en J.A.C. Brouwer, RAR 2013/164, AR-Updates.nl 2013-0612.

5Hof Amsterdam 28 oktober 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:4547, JIN 2014/208 m.nt. C. Heerink-van Hattem, PJ 2015/9 m.nt. B. Degelink, AR-Updates.nl 2014-092, JAR 2015/106.

6Ontleend aan rov. 3.1 van het hofarrest.

7Zie rov. 3.2 e.v. van het bestreden arrest.

8C4C heeft niet incidenteel geappelleerd. De in eerste aanleg afgewezen vordering ter zake van de kosten van de procedure bij de rechtbank in Rotterdam is in het geschil in hoger beroep dus niet meer aan de orde.

9Het hof heeft C4C ook veroordeeld in de kosten in beide instanties aan de zijde van StiPP.

10Bij cassatiedagvaarding van 27 januari 2015.

11Bekendmaking wijziging van de verplichtstelling tot deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds voor personeelsdiensten, 30 januari 2009, Stcrt. 2009 nr. 22, waarin het besluit van 19 december 2003, nr. 98-24588, Stcrt. 2003, nr. 251 tot het verplicht stellen van de deelneming in de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor Langdurige Uitzendkrachten werd gewijzigd – als nadien gewijzigd bij Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot wijziging van de verplichtstelling tot deelneming in het bedrijfspensioenfonds voor Personeelsdiensten van 22 december 2014, Stcrt. 2014, nr. 37623.

12Vgl. Kamerstukken II 1996-1997, 25 263, nr. 3 (MvT Flexwet) p. 9.

13Verder kende de titel tot 1 juli 2015 nog een art. 7:692 BW, dat opdrachtgevers mogelijkheden bood om inlenersaansprakelijkheid uit te sluiten. Dat artikel is inmiddels vervallen op grond van de Wet aanpak schijnconstructies (WAS), zie Stb. 2015/232.

14HR 17 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6755, USZ 2011/218, BNB 2011/235, NTFR 2011/1359 m.nt. De Haan, V-N 2011/31.21 m.nt. Kluwer, FutD 2011-1440 (Intra concern).

15Er zijn ook driehoeksrelaties waarbij de partij voor wie het werk wordt verricht zelf de werkgever is, bijv. vormen van payrolling, waarbij het payroll-bedrijf slechts bepaalde taken uitvoert, zoals loon-/personeelsadministratie, en de opdrachtgever zelf de (feitelijke en juridische) werkgever is. Er bestaan vele varianten driehoeksrelaties, terwijl de daarvoor gebruikte begrippen en categorieën niet vastomlijnd zijn.

16Zie voetnoot 13.

17Zie voor de wijziging van het Ontslagbesluit Stcrt. 25 november 2014, 33286 en voor de invoering van de Ontslagregeling Stcrt. 11 mei 2015, 12685.

18Kamerstukken II 1996-1997, 25 263, nr. 3 (MvT) p. 10 (onderstrepingen toegevoegd, A-G).

19Kamerstukken II 1996-1997, 25 263, nr. 3 (MvT) p. 33 (onderstreping toegevoegd, A-G).

20Kamerstukken II 1996-1997, 25 263, B (Adv RvS en NRapp), pp. 8-9.

21Kamerstukken II 1996-1997, 25 263, B (Adv RvS en NRapp), p. 9.

22Kamerstukken II 1996-1997, 25 263, nr. 6 (NnavV), p. 15.

23Kamerstukken II 1996-1997, 25 263, nr. 6 (NnavV) p. 15-16 (onderstreping toegevoegd, A-G).

24Kamerstukken II 1996-1997, 25 263, nr. 3 (MvT), p. 9.

25Kamerstukken 1996-1997, 25 263, nr. 3 (MvT), p. 10.

26HR 24 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO5801, RvdW 2011/66, JAR 2011/21, A-R-Updates.nl 2010-1007.

27Vgl. HR 5 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8186, NJ 2003/124, m.nt. G.J.J. Heerma van Voss, JAR 2002/100, m.nt. R.M. Beltzer/E. Verhulp (ABN AMRO/Malhi).

28HR 17 juni 2011, vindplaatsen voetnoot 14 (Intra concern).

29Hof Amsterdam 9 september 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014: 4616, JIN 2014/207 m.nt. Heerink-van Hattem, PJ 2015/8 m.nt. Degelink, AR-Updates.nl 2014-0940

30Rb Amsterdam (ktr) 4 juli 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:5783, JAR 2014/248, Prg. 2014/293, AR-Updates.nl 2014/0777.

31Hof Arnhem-Leeuwarden 3 februari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:670, JAR 2015/69 m.nt. E. Knipschild, RAR 2015/63, AR-Updates.nl 2015-0206

32Rb Noord-Nederland (ktr. Assen) 1 mei 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:2205, Prg. 2015/159, JAR 2015/142, JIN 2015/122 m.nt. Van Vlodrop, RAR 2015/117, AR-Updates.nl 2015-0440

33Rb Oost-Nederland (ktr Enschede) 21 maart 2013, ECLI:NL:RBONE:2013:BZ5108, JAR 2013/95 m.nt. E.M. Hoogeveen, RAR 2013/95, AR-Updates 2013-0223.

34Rb Overijssel (ktr Almelo) 11 maart 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:1214, JAR 2014/95 m.nt. J.P.H. Zwemmer, JIN 2014/81 m.nt. Heerink-van Hattem, AR-Updates.nl 2014-0235, Prg. 2014/114; Rb. Gelderland (ktr Arnhem) 4 november 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:6807, JAR 2015/303 m.nt. Zwemmer, NJF 2016/42, RAR 2016/31, JIN 2016/27 m.nt. Bevers en Brouwer, AR-Updates.nl 2015-1153. De rechter oordeelde in dit laatste vonnis dat het weliswaar geen zelfstandig vereiste is voor voor uitzendovereenkomst, maar dat het vervullen van een allocatiefunctie moet worden betrokken bij de vraag of is voldaan aand de beroeps/bedrijfsmatigheidseis.

35Rb Amsterdam (ktr) 3 september 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:6063, JAR 2013/252, RAR 2013/165, AR-Updates.nl 2013-0729.

36Rb Amsterdam (ktr) 22 september 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:6356, PJ 2014/161 m.nt. Degelink (TMI/Stipp).

37Rb Amsterdam 1 juli 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BN0820. Minder duidelijk komt de kwestie over de allocatiefunctie uit de verf in het bestuursrechtelijke vonnis van de Rb Roermond 18 augustus 2000, ECLI:NL:RBROE:2000:AA7139 (premieplichtigheid; “iedere vorm van terbeschikkingstelling onder welke benaming dan ook en indien is voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden, thans onder de noemer valt van uitzendovereenkomst”).

38Zie naast de conclusie van A-G Wattel van een dezer dagen in genoemde parallelle zaak aanhangig bij de derde kamer ook Hoogeveen, Payrolling: uitholling werknemersbescherming of gat in de markt?, ArbeidsRecht 2012/6 en in reactie daarop Groustra, ArbeidsRecht 2012/26. Dat artikel is iets uitgebreider ook te vinden als Groustra, Payrolling en de allocatieve functie, te vinden via http://www.wintertaling.nl/artikel-wilfred-groustra-payrolling-en-de-allocatieve-functie/ . Groustra bespreekt diverse verschijningsvormen van driehoeksrelaties, wijst erop dat de ministers van SZW en van Binnenlandse Zaken in antwoord op Kamervragen het verschil tussen uitzendwerk en payrolling anders duiden, namelijk door verschil wat betreft de duur van de tewerkstelling en wat betreft de werving. Hij geeft aan dat er in de praktijk veel variaties bestaan en bepleit dat geen sprake is van één allocatiefunctie waar alle driehoeksrelaties die onder art. 7:690 BW vallen aan zouden moeten voldoen.

39Zie met name Zwemmer, Waarom de payrollonderneming geen (uitzend)werkgever is, TRA 2009/12; Zwemmer, De payrollonderneming, de inlener en het werkgeverschap in de (lagere) jurisprudentie, TAP 2010/1, p. 19-23; Zwemmer, De uitzendkracht, de gedetacheerde en de payroll-werknemer, in: Houweling/Van der Voet (red.), Bijzondere arbeidsverhoudingen, 2012, p. 485-513, m.n. 488-489; Zwemmer, Pluraliteit van werkgeverschap (diss. Amsterdam UvA), 2012, p. 88 en 124-125; Zwemmer, Payrolling: wie is de werkgever en welke verplichtingen hebben het payrollbedrijf en de opdrachtgever jegens de werknemer?, VRA 2013/68; Zwemmer, Uitzenden, payrolling, schijnzelfstandigen en de Wet werk en zekerheid, ArbeidsRecht 2014/60; Zwemmer, Contracting en arbeidsrecht: over schijnconstructies, juridisch houdbare varianten en de gevolgen van de WAS en de WWZ, TAP 2015/3, nr. 118. Zie ook Knipschild in haar noot onder Hof Arnhem-Leeuwarden 3 februari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:670, JAR 2015/69.

40Al gaat hij daar niet verder op in en werkt niet uit wat hij daar precies bedoelt met “een daadwerkelijke allocatiefunctie”. Ik heb geen andere publicaties van Sagel hierover gevonden.

41Houweling/Van der Voet, Uniform of gedifferentieerd arbeidsrecht in: ArA 2013/2, p. 28-31.

42Bouwens, Boekbesprekingen: J.P.H. Zwemmer, Pluraliteit van werkgeverschap, RMThemis 2014/3, p. 139-140.

43Grapperhaus, T&C Arbeidsrecht, 2015, Inleidende opmerkingen bij Afdeling 11, i.h.b. aant. 5.

44Verburg, Payrolling: over duiding en verbinding, AA 2013, p. 911 e.v.

45Zie voor de vindplaats voetnoot 1.

46Zie onder meer Bouwens/Duk, Van der Grinten Arbeidsovereenkomstenrecht, 2015, p. 28; Gunaydin en Schikhof, Onduidelijkheid over de uitzendovereenkomst en de allocatiefunctie, TPV 2014/51, die overigens verbonden zijn aan StiPP; Van Houte, Uitzending en payrolling; overeenkomst en verschil, ArbeidsRecht 2011/8/9, nr. 36; Van Houte in: Loonstra/Zondag (red.). Sdu Commentaar Arbeidsrecht Thematisch, 2015, art. 7:690 BW, aant. C.1.2 en art. 7:691, aant. C.1.5; Jacobs, Monografieën Nieuw BW B86, Ontslagrecht en flexibele arbeidsrelaties, p. 87 is minder expliciet, maar spreekt wel over de “wijdsheid van de definitie”; Reijn, Een doorbraak in driehoeksrelaties: ontslagbescherming van de payrollwerknemer, Tijdschrift voor Arbeid en Onderneming, 2015, 78-86, die op p. 80 het oordeel in het onderhavige arrest toejuicht.

47Hoogeveen, De inlener en het werkgeverschap, ArA 2007/3 en Payrolling: uitholling werknemersbescherming of gat in de markt?, ArbeidsRecht 2012/6. Hij meent dat hierdoor payrollbedrijven ook een beroep kunnen doen op art. 7:691 BW. Daarover denken sommige auteurs anders, zoals al vermeld. Hoogeveen betitelt het echter als een “onwenselijke, maar wel een juiste conclusie”.

48Zie Ontslagregeling, Stc. 12685 d.d. 11 mei 2015, met name art. 20-23 en 27.

49Zoals bij automatiseringsprojecten en interim-management en dergelijke, waarbij meer in het algemeen een project of “klus” bij een klant gedaan wordt dat/die meebrengt dat werknemers bij die klant op kantoor/locatie zitten voor een bepaalde periode; daar lijkt mij als afbakening het vereiste onder leiding en toezicht een rol te spelen.

50Onder het ruime allocatiebegrip vallen dan de klassieke tijdelijke allocatiefunctie (ziek en piek, tijdelijke vervanging of drukte-opvang) en de andere arbeidsdriehoeksrelaties waar wel wordt gealloceerd in ruime zin, dus de categorie detacheerders, arbeidspoolers etc.

51Zwemmer in: Houweling/Van der Voet, Bijzondere Arbeidsverhoudingen, 2012, p. 490 en Zwemmer diss., voormeld, p. 90 met verdere verwijzingen naar Kuip/Scholtens, Flexibiliteit en zekerheid, Parlementaire Geschiedenis van de Wet flexibiliteit en zekerheid, 1999, p. 919; Grapperhaus/Jansen, De uitzendovereenkomst, 1999, p. 34 en Rb Maastricht (ktr Sittard-Geleen), 13 februari 2008, ECLI:NL:RBMAA:2008:BD1855, JAR 2008/157, Prg. 2008/119, AR-Updates.nl 2008-0355. Zwemmer benadrukt wel dat er qua rechtsverhouding dit verschil bestaat, dat bij de uitzendovereenkomst alleen sprake is van feitelijk werkgeversgezag over de door de uitzendwerknemer verrichte arbeid. Zie ook Grapperhaus, T&C Arbeidsrecht, art. 7:690 BW, aant. 5 met verwijzing naar rechtspraak van de derde kamer van Uw Raad: HR 15 april 1992, ECLI:NL:HR:1992:AN2610, BNB 1992/291, AB 1992/454, m.nt. W.A. Sinnighe Damsté, FED 1992/531, WFR 1992/680, 1, V-N 1992/1378, 19, FED 1992/405 en HR 21 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2501, NJ 1998/509, m.nt. P.J. Wattel, JAR 1998/16, BNB 1998/25, FED 1998/143, V-N 1997/4738, 30. Zie ook de conclusie van A-G Van Ballegooijen voor het Intra concern-arrest, vindplaats voetnoot 14 met in 4.22 t/m 4.26 een nader literatuuroverzicht over het vereiste van toezicht en leiding.

52Verhulp, T&C Arbeidsrecht, art. 7:610 BW, aant. 2 na d., Bouwens/Duk, Van der Grinten Arbeidsovereenkomstenrecht, 25e druk, 2015, p. 7

53Zie voetnoot 36.

54In het in noot 51 genoemde arrest HR 15 april 1992 is dat geformuleerd als: wie kan worden beschouwd als de “materiële werkgever”.

55Ktr. Deventer 10 december 2002, ECLI:NL:RBZWO:2002:AH7378, NJ 2003/130, JAR 2003/47, dat handelde over ICT dienstverlening op een “hoog gespecialiseerd kennisniveau” dat “de opdrachtgevers doorgaans niet (in voldoende mate) in huis hebben”. Ook Grapperhaus, T&C Arbeidsrecht, art. 7:690 BW, aant. 5b verwijst kort naar deze uitspraak, zonder daar nader op in te gaan. Ik kan niet achterhalen of in die zaak de opdrachtgevers organisaties waren die ook zelf werkzaam waren in de ICT branche, maar ik vermoed van niet. Vgl. ook A-G Van Ballegooijen in zijn meerbesproken conclusie voor het Intra concern arrest in 5.12, vindplaatsen voetnoot 14.

56Hof Den Bosch 21 oktober 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:4353, JAR 2015/10 m.nt. J.P.H. Zwemmer, JIN 2015/48 m.nt. M.A.H.M. van der Velden, AR-Updates.nl 2014-1017.

57Zie pleitnota C4C van 2 mei 2014 onder 29.

58CvR, nr. 6.

59MvA, nr. 92.

60Inl. dgv„ nr. 10; CvR, nr. 8; MvA, nr. 87; Plt. 2 mei 2014, nr, 28 t/m 32.

61CvR, nr. 7; MvA, nr. 87; Pit. 2 mei 2014. nr. 30.

62Inl. dgv. nr. 10; CvR. nr. 8; Pit. 2 mei 2014, nr. 28 t/m 32.

63Plt. 2 mei. 2014, nr. 28.

64CvR. nrs. 6 en 8: MvA, nr. 75; Plt. 2 mei 2014, nr. 28.

65CvR, nr, 8; MvA, nrs. 33. 75, 81, 90 en 91.

66MvA, nrs. 33, 75; Plt. 2 mei 2014, nr. 28, 30.

67Inl. dgv. nr. 10; CvR, nr. 6 en 8; MvA. nrs. 81 en 91; Plt. 2 mei 2014, nr. 30.

68MvA. nrs. 81 en 91; Pit. 2 mei 2014, nr. 30. I

69Zie voetnoot 14.

70Zie voetnoot 36.

71Het onderdeel verwijst naar: MvA nrs. 125 en 126 alsmede plt. 2 mei 2014 nrs. 20, 32 en 33; in eerste aanleg de inl. dgv. nrs. 15 en 16en de CvR nr. 15.

72MvA, nrs. 125/126, inl. dgv., nrs. 15-16 en de CvR, nr.15.

73HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3075, JIN 2014/224 m.nt. M.A.J.G. Janssen, NJ 2014/485.TvPP 2015, afl. 1, p. 32.

74HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7245, NJB 2012/410, JBPR 2012/38 m.nt. H.W.B. thoe Schwartzenberg, JIN 2012/61 m.nt. M.A.J.G. Janssen, NJ 2012/96 (X/SLS).

75Vgl. HR 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2984, JOR 2008/293, NJ 2008/480, rov. 3.6.

76Plt. 6.1.

77Plt. 6.2. Daarin is tevens aangegeven dat de pensioenconsulent van C4C in het kader van het inmiddels verworpen vrijstellingsverzoek zou hebben aangegeven dat de huidige pensioenregeling van C4C niet gelijkwaardig zou zijn aan die van StiPP. Ook bestrijdt StiPP op die plaats de stelling van C4C dat haar werknemers slechter af zouden zijn, indien haar overeenkomsten met hen zouden hebben te gelden als uitzendovereenkomsten, omdat C4C niet gehouden is een uitzendbeding aan te gaan en zodoende nog steeds na een half jaar haar werknemers conform haar huidige praktijk in vaste dienst kan nemen.

Prinsjesdag: de Kabinetsplannen en de gevolgen voor de WBSO 2016

15 september 2015

Op Prinsjesdag, is het Belastingplan 2016 gepresenteerd. Voor het jaar 2016 wordt de RDA binnen de WBSO geïntegreerd. Het voordeel kunt u volgend jaar via de loonheffing verminderen in plaats van (RDA) via de vennootschapsbelasting.

Wijziging subsidiepercentages en schijven
Er is in 2016 beschikbaar € 1.143 miljoen voor de WBSO en brengt de volgende financiële consequenties met zich mee:

• De bovengrens van de 1e schijf van S&O-loonkosten wordt verhoogd van
€ 250.000,- naar € 350.000,-.
• Het percentage van de 1e schijf wordt verlaagd van 35% naar 32%.
• Het percentage van de 2e schijf wordt verhoogd van 14% naar 16%.
• Het percentage van de 1e schijf voor starters wordt 40% in plaats van 50%.

WBSO aanvragen
Voor 2016 dient u voor het indienen van de WBSO-aanvraag van 2016 te kiezen tussen forfaitair bedrag of het daadwerkelijke bedrag aan kosten en uitgaven voor R&D. Indien u kiest voor forfaitair bedrag is het aantal WBSO-uren van belang. Het forfait bedraagt € 10,- per WBSO-uur (tot een maximum van 1.800 WBSO-uren per jaar) plus € 4,- per WBSO-uur voor overige WBSO-uren.

Kiest u voor de optie R&D-kosten en uitgaven zoals in 2015 dan dient u een administratie van de gemaakte kosten en uitgaven bij te houden.

De WBSO-afdrachtvermindering kunt u als volgt berekenen:
(WBSO-uren x WBSO-uurloon) + (forfaitair bedrag of begrote kosten en uitgaven) x bovenstaande percentages.

 

Uitspraak Hoge Raad: Aftrek voorbelasting

1 mei 2015

  1. 13/06113

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van vennootschap onder firma [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 18 oktober 2013, nrs. BK-12/00591 en BK-12/00592, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank te ’s-Gravenhage (nrs. AWB 11/6452 en AWB 11/6453) betreffende aan belanghebbende over de periode 1 januari 2006 tot en met 31 december 2007 en over de periode 1 januari 2008 tot en met 31 maart 2008 opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. A.M.E. Nuyens en mr. A.J.C. Perdaems, advocaten te Breda.

De Advocaat-Generaal M.E. van Hilten heeft op 11 november 2014 geconcludeerd tot gegrond verklaren van het beroep in cassatie.

De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende exploiteert een apotheek en is ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet).

Vanaf 1 juni 2006 huurt belanghebbende in een pand 250m2 bedrijfsruimte, waarin zij haar praktijk uitoefent. In hetzelfde pand huren vijf huisartsen voor hun praktijkuitoefening in totaal 550m2 aan bedrijfsruimten. De verhuurder heeft de bedrijfsruimten als ‘casco’ aan de huurders ter beschikking gesteld. Vervolgens heeft belanghebbende de zes bedrijfsruimten doen afbouwen en inrichten voor de uitoefening van de apotheek en de huisartsenpraktijken. Belanghebbende heeft de kosten van vorenbedoelde afbouw en inrichting (hierna: de werkzaamheden) voor haar rekening genomen. De daarvoor in rekening gebrachte kosten bedroegen € 1.797.285, waaronder begrepen een bedrag van € 285.619 aan omzetbelasting.

2.1.2.

Belanghebbende heeft de hiervoor in 2.1.1 vermelde omzetbelasting volledig in aftrek gebracht. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat voor zover de werkzaamheden betrekking hebben op de huisartsenpraktijken belanghebbende geen recht op aftrek heeft. Op die grond heeft hij de onderhavige naheffingsaanslagen opgelegd.

2.2.1.

Het Hof heeft geoordeeld dat de werkzaamheden prestaties zijn die door de huisartsen zijn afgenomen. Daarbij heeft het Hof veronderstellenderwijs tot uitgangspunt genomen dat de diverse facturen aan belanghebbende zijn uitgereikt. Het Hof heeft voor zijn oordeel dat niet belanghebbende afnemer is van de werkzaamheden in aanmerking genomen dat belanghebbende de kosten van de werkzaamheden voor haar rekening heeft genomen, dat deze werkzaamheden in volstrekt overwegende mate het belang van de huisartsen dienen en dat kennelijk ook tussen de dienstverrichters en de huisartsen rechtsbetrekkingen hebben bestaan, al was het maar doordat de werkzaamheden ook in overleg met de huisartsen en conform hun wensen zijn uitgevoerd.

2.2.2.

Het Hof heeft voorts geoordeeld dat zo sprake zou zijn van jegens belanghebbende verrichte prestaties, de werkzaamheden voor de huisartsen voorzieningen tot stand hebben gebracht die naar hun aard hebben te gelden als relatiegeschenken of andere giften in de zin van artikel 1, lid 1, aanhef en letter b, en lid 2, van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 (hierna: het BUA).

2.3.1.

Middel 1 richt zich met rechts- en motiveringsklachten tegen de hiervoor in 2.2.1 weergegeven oordelen van het Hof.

2.3.2.

Ingevolge artikel 15, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet kan de ondernemer onder de in dat artikel vermelde voorwaarden in aftrek brengen de omzetbelasting die door andere ondernemers ter zake van door hen aan de ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht. Een levering wordt aan de ondernemer verricht en een dienst wordt aan de ondernemer verleend, indien de ondernemer die de levering verricht dan wel de dienst verleent met de ondernemer een rechtsbetrekking is aangegaan ingevolge welke de levering wordt verricht of de dienst wordt verleend (vergelijk HR 2 december 2011, nr. 43813, ECLI:NL:HR:2011:BU6535, BNB 2012/55). Daaraan doet niet af dat een of meer anderen dan de ondernemer belang hebben of gebaat zijn bij de desbetreffende levering of dienst.

Het Hof heeft bij zijn oordeel dat niet belanghebbende maar de huisartsen de werkzaamheden hebben afgenomen waarde gehecht aan het grote belang dat de huisartsen hadden bij de werkzaamheden alsmede de omstandigheid dat de werkzaamheden ook in overleg met de huisartsen en conform hun wensen zijn uitgevoerd. Aangezien voor het antwoord op de vraag aan wie de desbetreffende diensten zijn verricht uitsluitend van belang is of de werkzaamheden zijn verricht ingevolge een rechtsbetrekking met de dienstverrichters, geeft dit oordeel, gelet op het hiervoor overwogene, blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het Hof is uitgegaan van een juiste rechtsopvatting en zijn oordeel dat de huisartsen de afnemers van de werkzaamheden zijn erop heeft gegrond dat de huisartsen rechtsbetrekkingen met de dienstverrichters zijn aangegaan ingevolge welke de werkzaamheden zijn verricht, is zijn oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. De omstandigheden dat nauw overleg met de huisartsen over de werkzaamheden heeft plaatsgevonden en dat de werkzaamheden overeenkomstig hun wensen zijn uitgevoerd, zijn daartoe onvoldoende. Middel 1 slaagt derhalve.

2.3.3.

Middel 2 richt zich tegen het hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordeel van het Hof en betoogt dat de werkzaamheden die in opdracht van belanghebbende zijn verricht niet als relatiegeschenk of anderszins als een gift aan de huisartsen zijn aan te merken. Het middel wijst erop dat belanghebbende de kosten voor haar rekening heeft genomen ter bevordering van de omzet van de door haar geëxploiteerde apotheek.

2.3.4.

Op grond van artikel 16 van de Wet in samenhang gelezen met artikel 1, lid 1, letter b, van het BUA wordt de in artikel 15, lid 1, van de Wet bedoelde aftrek uitgesloten in de gevallen waarin en voor zover de goederen en diensten worden gebezigd voor het geven van relatiegeschenken of het doen van andere giften aan degenen bij wie, indien aan hen ter zake daarvan omzetbelasting in rekening is of zou zijn gebracht, deze in het geheel niet of hoofdzakelijk niet voor aftrek in aanmerking komt of zou komen. Ingevolge artikel 1, lid 2, van het BUA wordt onder relatiegeschenken of andere giften verstaan alle prestaties welke de ondernemer in verband met zakelijke verhoudingen of uit vrijgevigheid ten behoeve van anderen verricht zonder vergoeding of tegen een vergoeding welke lager is dan de aanschaffings- of voortbrengingskosten dan wel, in geval van diensten, de kostprijs van die prestaties, de omzetbelasting niet daaronder begrepen.

’s Hofs uitspraak of de stukken van het geding bieden geen aanknopingspunt voor de veronderstelling dat de drijfveer voor het door belanghebbende voor haar rekening nemen van de kosten van de werkzaamheden en het zonder vergoeding door de huisartsen laten gebruiken van de met de werkzaamheden tot stand gebrachte voorzieningen verband houdt met zakelijke verhoudingen tussen belanghebbende en de huisartsen. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende deze kosten voor haar rekening heeft genomen ter bevordering van haar omzet en met het oog op de afname door derden (patiënten van de huisartsen) van haar producten. Dit leidt tot de conclusie dat geen sprake is van relatiegeschenken in de zin van artikel 1, lid 2, van het BUA. Gelet op dit oogmerk van belanghebbende is ook geen sprake van het doen van andere giften in de zin van artikel 1, lid 1, letter b, in samenhang gelezen met artikel 1, lid 2, van het BUA (vergelijk voor dit een en ander HR 12 december 2008, nr. 41732, ECLI:NL:HR:2008:AV1710, BNB 2009/44).

Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat de werkzaamheden aan belanghebbende ingevolge een rechtsbetrekking met haar zijn verricht en dat de werkzaamheden haar in rekening zijn gebracht op facturen die op de voorgeschreven wijze zijn opgemaakt, en in aanmerking nemende dat de werkzaamheden zijn verricht voor belaste handelingen van belanghebbende, volgt uit het voorgaande dat de aftrekbeperking van artikel 1, lid 1, letter b, van het BUA geen toepassing kan vinden. Derhalve slaagt ook middel 2.

2.3.5.

Gelet op het hiervoor in 2.3.2 en 2.3.4 overwogene kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moeten volgen.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 478, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2940 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2015.

Bron: 01-05-2015, Rechtspraak.nl


Wet compartimenteringsreserve (VpB)

Wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 in verband met de invoering van een compartimenteringsreserve (Wet compartimenteringsreserve)

Nota naar aanleiding van het verslag Het kabinet heeft met interesse kennisgenomen van de opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA. Deze leden wensen, mede namens de leden van de fractie van de VVD, te reageren op een door het kabinet in de nadere memorie van antwoord gegeven reactie. In de bedoelde reactie ging het kabinet in op een vraag van deze leden in het nader voorlopig verslag. Deze leden hebben mij in dat nader voorlopig verslag gevraagd toe te zeggen dat dit wetsvoorstel niet van toepassing is op realisaties van een belang voor zover zich ten aanzien van dat belang voor 1 januari 2007 (inwerkingtreding van de Wet werken aan winst) een sfeerovergang als gevolg van wetswijziging heeft voorgedaan. In reactie hierop heb ik er in de nadere memorie van antwoord op gewezen dat de gevraagde beperking van de reikwijdte van het wetsvoorstel ertoe zou kunnen leiden dat belastingplichtigen die voordeel hebben bij regelcompartimentering, dit voordeel zou moeten worden ontnomen. De genoemde leden geven naar aanleiding van die reactie aan dat zij wensen te benadrukken dat zij het kabinet enkel verzoeken om een toezegging die zich beperkt tot die gevallen waarbij de gevraagde beperking in het voordeel van belastingplichtige is. Indachtig die verduidelijking, vragen deze leden alsnog om een reactie op hun eerdere verzoek. Zoals ik eerder heb aangegeven past (regel)compartimentering binnen het systeem van de deelnemingsvrijstelling in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Door de hiervoor geschetste strikte uitleg, zouden belastingplichtigen die voordeel hebben bij de regelcompartimentering, in hun belang kunnen worden geschaad. Dat acht ik onwenselijk. De genoemde leden zijn dat, naar nu blijkt, met mij eens. Alles overwegende en indachtig de nu door deze leden gegeven verduidelijking, ben ik bereid de door deze leden in het nader voorlopig verslag gevraagde toezegging te doen. Deze toezegging noopt niet tot wijziging van het onderhavige wetsvoorstel. Mijn toezegging heeft tot gevolg dat belastingplichtigen die voordeel hebben bij het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2013, zich op het arrest kunnen beroepen voor zover sprake is van een realisatie van een belang en zich ter zake van dat belang vóór 1 januari 2007 een sfeerovergang heeft voorgedaan als gevolg van een wetswijziging. Voor de realisatie van een belang waarvoor zich op of na 1 januari 2007 een sfeerovergang als gevolg van een wetswijziging heeft voorgedaan, geldt de compartimentering zoals in dit wetsvoorstel is aangegeven. Deze toezegging zal wel leiden tot een incidentele budgettaire derving van € 10 miljoen. Die derving zal op een later moment van een adequate dekking worden voorzien. Volledigheidshalve wijs ik erop dat hiermee eveneens alsnog tegemoet wordt gekomen aan een soortgelijke wens van de leden van de fractie van het CDA in de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

De Staatssecretaris van Financiën, Eric Wiebes

Bron: 7 april 2015, Kamerstukken I 2014/15, 33713, G

 

Rulings

Uit de brief van de Staatssecretaris van Financiën aan de Tweede Kamer

Naar een voortrekkersrol van Nederland in uitwisseling van informatie. Zoals gezegd, rulings zijn van belang voor het bedrijfsleven en voor de Belastingdienst en dragen bij aan een gunstig vestigingsklimaat. Het voordeel van een ruling komt niet voort uit een speciaal gunstige fiscale behandeling, maar uit de zekerheid die hij biedt. Wij moeten ons echter wel bewust zijn dat de Nederlandse Belastingdienst uitsluitend zekerheid vooraf biedt over de uitleg van het Nederlandse recht. Een ruling van de Nederlandse Belastingdienst heeft geen enkele invloed op de toepassing van het recht van een andere staat. Dit betekent bijvoorbeeld dat, anders dan vaak wordt geschreven, met behulp van een ruling geen winst kan worden verplaatst naar Nederland. De autoriteiten in een andere staat blijven immers volledig competent om op basis van het belastingrecht daar de winst vast te stellen. Dit betekent bijvoorbeeld ook dat een standpunt van de Nederlandse belastingdienst over de kwalificatie van een vermogensverstrekking evenmin de autoriteiten in de andere staten bindt. Die autoriteiten kunnen tot een andere conclusie komen. Een dergelijke zogenoemde mismatch kan leiden tot uitholling van de wereldwijde belastbare grondslag. Dat is één van de knelpunten waarvoor in het kader van het Base Erosion and Profit Shifting (BEPS) project van de OESO een oplossing wordt gezocht. Ook in het kader van de Europese Unie worden hiertegen maatregelen genomen zoals de aanpassing van de ‘Moeder Dochter Richtlijn’ in juni 2014. Om het risico op kwalificatieverschillen zoveel mogelijk te voorkomen is een standaard onderdeel van een APA en ATR, dat de belastingplichtige in Nederland verklaart dat hij de autoriteiten in een andere staat een juist en volledig beeld geeft over zijn activiteiten en de fiscale behandeling daarvan in Nederland. Dergelijke problemen bij internationale belastingheffing zijn dus niet het gevolg van het afgeven van rulings, maar worden veroorzaakt doordat de rechtssystemen van de verschillende landen niet op elkaar zijn afgestemd en dat niet alle landen op de hoogte zijn van alle feiten. Belangrijker en effectiever dan eenzijdige maatregelen van Nederland hiertegen, zijn maatregelen in internationaal verband.

In het kader van het BEPS project van OESO, binnen de G20 en binnen de Europese Unie wordt daarom gezocht naar oplossingen voor het uiteenlopen van de systemen. Uitkomsten daarvan worden in het najaar verwacht. Ik zal u daarover blijven informeren. Een belangrijke bijdrage aan de oplossing kan bestaan uit het delen van relevante informatie tussen Belastingdiensten van verschillende landen. Nederland wil, waar het kan, de ervaring die onze Belastingdienst heeft bij het afgeven van rulings gebruiken om bij de ontwikkeling van effectieve en evenwichtige afspraken daarover een voortrekkersrol te spelen. Op dit moment loopt op dat gebied al een aantal belangrijke initiatieven. Hieronder geef ik u een samengevat overzicht hiervan:

OESO/BEPS: Actiepunt 5 Herleving van het Forum on Harmful Tax Practices Het Forum on Harmful Tax Practices zet zich in om transparantie te verbeteren bij preferentiële regimes. In het kader hiervan is besloten dat landen spontaan rulings dienen uit te wisselen die zien op preferentiële regimes. Tot dusver zijn innovatieboxen aangemerkt als preferentiële regimes.

OESO/BEPS: Actiepunt 13 Country by Country-rapportage Onder dit Actiepunt is een template ontwikkeld op basis waarvan multinationals jaarlijks per land gaan rapporteren over hun winsten en belastingafdracht. In dat kader wordt ook gewerkt aan het inzichtelijk maken van APA’s voor andere belastingdiensten.

EU: Modelinstructie voor de spontane uitwisseling van rulings en unilaterale APA’s Het Committee on Administrative Cooperation for Taxation (CACT) en het EU Joint Transfer Pricing Forum hebben in opdracht van de EUGedragscodegroep (Code of Conduct for business taxation) een modelinstructie inzake de spontane uitwisseling van informatie over ATR’s en unilaterale APA’s opgesteld.

EU: Code of Conduct documentatieverplichtingen In 2006 heeft het EU Joint Transfer Pricing Forum een code of conduct voor transfer pricing documentatie ontwikkeld waarin een documentatieverplichting voor transfer pricing is opgenomen. Multinationals kunnen een master file aanleveren met een lijst van APA’s die lidstaten raken. Nederland heeft deze code of conduct geïmplementeerd in het verrekenprijsbesluit.

EU: richtlijnvoorstel voor de automatische uitwisseling van informatie over rulings In het werkprogramma van de Europese Commissie voor 2015 kondigt de Commissie een richtlijnvoorstel aan met het oog op de verplichte uitwisseling van informatie over grensoverschrijdende rulings. Voorts heb ik begrepen dat de Europese Commissie nadenkt over regels voor de inhoud en de procedure bij het verstrekken van rulings.

Ondanks dat de hiervoor genoemde initiatieven binnen de EU en de OESO op het gebied van transparantie over APA’s en ATR’s nog volop in ontwikkeling zijn, heeft het kabinet in de brief van 1 december 2014 aangekondigd informatie over rulings uit te gaan wisselen met andere landen. Nederland loopt hiermee voorop. De eerste stap is al gezet. Met Duitsland zijn inmiddels concrete afspraken gemaakt over de uitwisseling van informatie over rulings. Binnenkort worden deze afspraken neergelegd in een Memorandum of Understanding. Daarna kan de eerste uitwisseling van start gaan. De uitwisseling van informatie over rulings met Duitsland kan worden gezien als een pilot. De ervaring die met deze pilot wordt opgedaan, kan worden gebruikt voor een effectieve uitwisseling van informatie met andere landen. Gebrek aan afstemming tussen wettelijke systemen moet met internationaal overleg opgelost worden. Systematische uitwisseling van rulings draagt eraan bij dat in elk geval in alle landen de feiten hetzelfde worden uitgelegd. Uitwisseling van rulings tussen landen zal bovendien naar verwachting alle andere landen blijvend motiveren om bij afspraken vooraf de wet te blijven volgen. Daarmee zal de geur van fiscale douceurtjes voor eeuwig tot het verleden behoren.

Bron: 2 februari 2015, Tweede Kamer

 

Nieuw fonds voor innovatieve zorgoplossingen in arme landen

Het Fonds Life Sciences & Health for Development gaat bedrijven steunen om betaalbare zorgoplossingen te ontwikkelen voor arme mensen in ontwikkelingslanden.


Topsector Life Science & Health

Met het fonds wil Minister Ploumen de expertise en innovatiekracht van de Topsector Life Science & Health mobiliseren voor de meest kwetsbare groepen in arme landen.

Het fonds biedt subsidie aan samenwerkingsverbanden van bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstituten in Nederland en ontwikkelingslanden om business cases te ontwikkelen, bijvoorbeeld door een haalbaarheidsonderzoek, prototypes of demonstratieprojecten. Met deze business cases kunnen investeringen worden binnengehaald van financiële instellingen zoals de Wereldbank, Gates Foundation, Clinton Health Access Initiative. Het daadwerkelijk commercieel op de markt brengen van een product financiert deze regeling niet. Tot eind 2016 komt uit het fonds € 2,7 miljoen beschikbaar.

Het Ministerie van Buitenlandse Zaken stelt de financiën beschikbaar voor deze regeling. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland voert de LS&H4D regeling uit. Financiering kunt u aanvragen tot en met 1 oktober 2014.

Bron: 23-06-2014, Staatscourant 2014, 17137

 

Tender Solar Energy geopend

Bedrijven en onderzoeksorganisaties met innovatieve ideeën voor (de productie van) zonnepanelen of de toepassing van zonne-energie in de gebouwde omgeving kunnen opnieuw in aanmerking komen voor subsidie uit de subsidieregeling Energie en Innovatie. De tweede tenderronde in 2014 van het TKI Solar Energy is zojuist geopend.


Technologie en toepassing

Het TKI Solar Energy organiseert, in het kader van de subsidieregeling Energie en Innovatie, in 2014 twee tenderrondes. Bedrijven en onderzoeksorganisaties worden uitgenodigd om projectvoorstellen, waarin nieuwe PV-technologieën voor (de productie van) innovatieve PV-cellen en –panelen worden ontwikkeld, in deze tenders in te dienen.

Evaluatiecriteria

De aanvragen worden inhoudelijk beoordeeld door onafhankelijke expertcommissies waarbij een project beter scoort naarmate de projectresultaten meer bijdragen aan de Nederlandse economie en aan een verduurzaming van de Nederlandse energiehuishouding, het project innovatiever is en het project kwalitatief beter is opgebouwd.

De tweede ronde is zojuist geopend. Aanvragen kunnen tot uiterlijk 16 september 2014, 12 uur bij RVO.nl worden ingediend.

Bron: 18-06-2014 RVO

 

54 miljoen euro voor energie-innovatieprojecten

Op 18 juni 2014 zijn de subsidieregeling Demonstratie energie-innovatie (DEI), en de tweede tranche subsidieregelingen van de Topsector Energie gepubliceerd. Indienen kan vanaf 1 juli 2014.

De regeling Demonstratie energie-innovatie (DEI) is voor innovatieve ondernemers die met hun product of dienst net vóór marktintroductie zitten. Door een vinding op ware schaal en in praktijkomstandigheden te demonstreren is de stap naar het daadwerkelijk in de markt zetten makkelijker gezet. De DEI regeling biedt ondernemers financiële ondersteuning om deze opschaling te verwezenlijken.

De DEI regeling vloeit voort uit de afspraken die in het Energieakkoord zijn gemaakt. Hierin is afgesproken dat er overheidsmiddelen beschikbaar komen voor demonstratieprojecten gericht op versnelde commercialisering voor de export. Voor de DEI regeling stelt de minister van Economische zaken dit jaar 24,29 miljoen beschikbaar. U komt hiervoor in aanmerking als u producten of projecten ontwikkelt die energie besparen, duurzame energie opwekken of de toepassing van duurzame energie stimuleren. U kunt zelfstandig of in een samenwerkingsverband een aanvraag indienen.

Tweede tranche subsidieregelingen van de Topsector Energie

De eerste tranche met subsidiemogelijkheden van de Topsector Energie is in april gepubliceerd. In de eerste tranche stelde de minister 48,8 miljoen beschikbaar, in deze tweede tranche 29,9 miljoen. De tweede tranche heeft betrekking op de volgende thema’s: Bio-energie, Energiebesparing in de gebouwde omgeving, Energiebesparing in de industrie, Gas (Upstream), Smart grids, Systeemintegratie, Wind op Zee en Zonne-energie in de gebouwde omgeving

Nieuw zijn de volgende subsidiemogelijkheden:

  • Systeemintegratie
  • Energiebesparing industrie: joint industry projects
  • Wind op Zee: joint industry projects
  • EnerGO: compacte conversie en opslag (EnerGO CCO)

De projecten die in aanmerking komen voor de Topsector Energie-regelingen zijn combinaties van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, demonstratie, of haalbaarheidsstudies. Alleen samenwerkingsverbanden komen in aanmerking voor subsidie.

Tenders

Bij beide regelingen gaat het om tenders waarbij na de sluitingsdatum de beste projecten subsidie krijgen, totdat het budget op is.

Bron: 18-06-2014 RVO

 

Health for Growth-programma gepubliceerd

Het 3e Europese actieprogramma voor gezondheid ‘Health for Growth’ is gelanceerd. Het programma loopt van 2014 tot 2020 en richt zich op een gezond Europa. Het bundelen van kennis ter ondersteuning van nationaal beleid staat centraal.

Het programma heeft 4 hoofddoelen:

  • bevorderen van een gezonde leefstijl
  • bescherming tegen grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen
  • bijdragen aan innovatieve en efficiënte zorgsystemen
  • toegang tot betere en veiligere zorg

De Consumers, Health and Food Executive Agency (Chafea) voert dit programma uit.

De prioriteiten en criteria voor de financiering van activiteiten staan elk jaar vast in een werkprogramma.

Bron: 18-06-2014 Europese Commissie

 

R&D projectideeën medische technologie

Israël en Nederland doen een gezamenlijke oproep voor R&D-projectideeën op het gebied van medische technologie. Ze lanceerden de oproep op 10 juni, tijdens de Israel – The Netherlands Healthcare Innovation Day.

The Israel-Europe R&D Directorate (ISERD) en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) voeren de call uit. Tot en met 1 augustus 2014 kunt u R&D-projectideeën indienen.

Consortia die voldoen aan de onderstaande criteria kunnen projectideeën indienen:

  • Het consortium bestaat uit tenminste 1 Nederlandse en 1 Israëlische onderneming;
  • Bij de deelnemers aan het consortium zit tenminste 1 onderzoekuitvoerend mkb;
  • Het samenwerkingsproject betreft marktgerichte R&D. Deze moet zich richten op de ontwikkeling van innovatieve producten of middelen voor medisch diagnostische, therapeutische en/of zorgtoepassingen;
  • De consortiumdeelnemers verdelen de kosten, risico’s en economische baten in het samenwerkingsproject evenwichtig.

 

De procedure bestaat uit 2 stappen:

  1. Consortia kunnen uiterlijk vrijdag 1 augustus 2014, 17.00 uur een projectidee indienen. Uw Israëlische partner(s) dient (dienen) het document in bij ISERD. Uiterlijk 22 augustus 2014 ontvangt u reactie over de financieringsmogelijkheden en slaagkans binnen EUREKA en Eurostars.
  2. Wanneer voor een projectidee financiële ondersteuning mogelijk is, ontvangt het consortium informatie en advies over de indiening van een volledig voorstel.

Bron: 17-06-2014 RVO

Nieuwe SBIR-tender

De nieuwe SBIR-tender ‘Bescherming tegen onbemande mobiele systemen’ vraagt om innovatieve oplossingen vanuit het mkb. Deze oplossingen moeten bescherming bieden tegen mobiele, onbemande systemen zoals drones en onbemande vliegtuigen.

Bij deze oproep zijn de volgende partijen betrokken:

  • ministerie van Veiligheid en Justitie
  • Nationale Politie
  • Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV)

SBIR (Small Business Innovation Research) is een regeling van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Met SBIR daagt de overheid ondernemers uit om maatschappelijke problemen op te lossen met innovatieve producten en diensten.

RVO.nl voert SBIR uit in opdracht van de Nederlandse overheid.

Bron: 12-06-2014 RVO

Horizon 2020 – ICT Proposers’ Day 2014

Ontwikkelt of onderzoekt u innovatieve informatie- en communicatietechnologie (ICT). En overweegt u deel te nemen aan Horizon 2020. Kom dan naar de ICT Proposers’ Day op 9 en 10 oktober 2014 in Florence, Italië.

Het evenement is een gelegenheid om u te oriënteren en buitenlandse partners te vinden.

De Europese Commissie organiseert dit evenement ter voorbereiding op de komende calls van Horizon 2020. Er komen diverse onderwerpen aan bod, waaronder:

  • Big data
  • Technologies for creative industries
  • ICT for better human learning and teaching
  • Robotics
  • Micro- and nano-electronic technologies
  • Photonics
  • Internet of things

Bron: 22-05-2014 Europese Commissie

Eindstand SDE+ 2013

De 3 miljard euro die in 2013 beschikbaar was voor de uitvoering van de Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie (SDE+) is volledig toegekend aan 871 duurzame energie projecten.

Vanaf 4 maart t/m 19 december 2013 kon men SDE+ aanvragen indienen. Voor de 1.067 aanvragen met een totaalbedrag van 5,8 miljard euro was het budget niet toereikend. Hierdoor moest er worden geloot tussen de zon-PV aanvragen van 19 december.

 

Van het totale budget van 3 miljard euro is:

  • 790 miljoen euro toegekend aan 733 projecten voor hernieuwbare elektriciteit
  • 1.872 miljoen euro toegekend aan 115 projecten voor hernieuwbare warmte én WKK
  • 339 miljoen euro toegekend aan 23 projecten voor hernieuwbaar gas

Bron: 12-05-2014 RVO

TEN-T subsidie

Op 1 september 2014 gaat de Europese subsidie TEN-T van start. TEN-T staat voor Trans-European Network Transport. Met de TEN-T-subsidies wil Europa het vervoersnetwerk verbeteren en daarbij de toepassing van duurzame technologieën stimuleren.  Er is bijna 12 miljard euro beschikbaar in de periode van 2014 tot 2020.

De werkprogramma’s voor de TEN-T-subsidies zijn inmiddels gepubliceerd. Hierin staat meer informatie over de prioriteiten, de verdeling van de gelden en de eisen waaraan de projectvoorstellen moeten voldoen. Een andere voorwaarde is dat de projectvoorstellen moeten passen binnen het binnenlandse beleid. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu moet haar handtekening zetten onder de subsidieaanvraag.

Bron: 7-5-2014 RVO

 

IFC-waterprogramma voor landbouw India

Met Nederlandse financiële steun heeft de International Finance Corporation (onderdeel van de Wereldbank) een waterprogramma opgezet voor landbouw in India.

Dit programma financiert projecten in de landbouw die gericht zijn op vermindering van het watergebruik met 20%. Vanwege de Nederlandse financiële bijdrage biedt dit programma goede kansen voor Nederlandse bedrijven om kosteneffectieve (drink)watertechnologie op de snel groeiende Indiase markt te brengen.

Het IA-Netwerk verbindt in opdracht van het ministerie van Economische Zaken kennis over internationale innovatieve ontwikkelingen en daaraan gerelateerde trends aan Nederlandse bedrijven, kennisinstituten en overheden.

Bron: 29-04-2014 IA-Netwerk

 

Nieuwe SBIR tender

Het ministerie van Economische Zaken investeert € 500.000 in een 3e SBIR tender op het gebied van gasonderzoek. De tender gaat op 22 april open.

De minister daagt ondernemers uit om nieuwe producten en diensten te ontwikkelen. De gassamenstelling verandert in de toekomst. Het aandeel van zowel duurzame gassen, zoals biogas en waterstofgas, als dat van geïmporteerde gassen groeit. Particulieren en bedrijven moeten ook met deze verandering efficiënt, flexibel en veilig gas kunnen gebruiken.

Het gaat om de SBIR tender Vergroenen van het Nederlandse gas: oplossingen gezocht voor een variabele duurzame gassamenstelling. Deelnemers kunnen tot 10 juni 2014 projectvoorstellen indienen.

In het hoogcalorische gas (H-gas) en het laagcalorische (G-gas) vinden veranderingen plaats. De SBIR tender richt zich op het vinden van oplossingen zodat ondernemers hierop kunnen anticiperen. De beste ideeën krijgen een opdracht voor een haalbaarheidsonderzoek (SBIR fase 1).

De prioriteit van deze call ligt niet op huishoudelijke CV systemen.

Bron: 14-4-2014 RVO

 

Thema’s INTERREG 2014-2020

De EU stelde een voorlopig concept op voor de thema’s en programma’s voor INTERREG 2014-2020.

Voor de programma’s van NWE en NSR loopt momenteel een publieke consultatie. Zo krijgen belanghebbenden bij NWE en NSR de mogelijkheid om invloed uit te oefenen op de programma’s, voordat de EU ze definitief vaststelt.

Thema’s en planning NWE

Voor North West Europe (NWE) zijn de volgende thema’s vastgesteld:

  • Het versterken van de innovatiecapaciteit van regio’s en organisaties
  • Het versnellen van de overgang naar een koolstofarme economie
  • Eco-innovatie en het efficiënt gebruiken van hulpbronnen

 

Thema’s en planning NSR

Voor North Sea Region (NSR) zijn de volgende thema’s vastgesteld:

  • Technologische ontwikkeling en innovatie
  • Overgang naar een koolstofarme economie
  • Klimaatverandering
  • Behoud en bescherming van het milieu
  • Bevorderen efficiënt gebruik van hulpbronnen
  • Duurzaam vervoer

Thema’s en planning Europe

Voor Europe zijn de volgende thema’s vastgesteld:

  • Technologische ontwikkeling en innovatie
  • Concurrentiekracht MKB
  • Koolstofarme economie in stedelijke gebieden
  • Natuurlijk en cultureel erfgoed
  • Bevorderen efficiënt gebruik van hulpbronnen

Bron: 9-4-2014 Europese Commissie

 

SDE+ open voor kansrijke energie opwekkingsprojecten

Vanaf dinsdag 1 april om 9.00 kunt u weer subsidie aanvragen voor energie opwekkingsprojecten voor de productie van groen gas, duurzame elektriciteit, duurzame warmte of een combinatie hiervan.

Haalbaarheidsstudie

Om de subsidie van de SDE+ regeling (Stimulering Duurzame Energieproductie) ten goede te laten komen aan de meest kansrijke projecten is vanaf 2014 een haalbaarheidsstudie vereist. Dat geldt voor projecten vanaf 0,5 MW, 500 kWp of 50 Nm³/uur.

Deze haalbaarheidsstudie moet u met de aanvraag meesturen en geeft inzicht in de technische en economische onderbouwing van het project.

Bij geothermieprojecten moet u vanaf dit jaar een geologisch onderzoek bij uw aanvraag voegen.

De SDE+ sluit dit jaar op 18 december 2014 om 17.00 uur. Het ministerie van Economische Zaken heeft voor 2014 € 3,5 miljard beschikbaar gesteld voor het stimuleren van energie opwekkingsprojecten van bedrijven en (non-profit) instellingen via de SDE+.

Bron: 1-4-2014 RVO

 

Subsidieregelingen voor Topsector Energie open

De eerste subsidieregelingen voor de Topsector Energie zijn dinsdag 1 april opengegaan. Het ministerie van Economische Zaken stelt 48,8 miljoen euro beschikbaar voor het stimuleren van energie-innovaties in 2014.

De projecten die in aanmerking komen voor de Topsector Energie-regelingen zijn combinaties van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, demonstratie-, of haalbaarheidsstudies. Behalve voor de Wind op Zee-haalbaarheidsstudies, komen alleen samenwerkingsverbanden in aanmerking voor subsidie.

De regelingen voor energiebesparing in de industrie zijn nieuw dit jaar. Ze subsidiëren early adopter- en pilotprojecten. De early adopterprojecten verkennen de levensvatbaarheid van energiebesparende procestechnologie of -concepten. MKB-technologieleveranciers met minimaal twee potentiële eindgebruikers komen hiervoor in aanmerking. Ook komt er subsidie beschikbaar voor grootschalige pilotprojecten, waarin ondernemers een representatief prototype testen in een realistische omgeving. Daarnaast zijn de haalbaarheidsstudies Wind op Zee nieuw in 2014. Daarnaast zijn in samenwerking met de TKI’s, de programmalijnen inhoudelijk aangescherpt.

Thema’s

De nu geopende regelingen hebben betrekking op de volgende thema’s:

  • Bio-energie (kostprijsreductie elektriciteits- en warmteproductie);
  • Energiebesparing in de gebouwde omgeving;
  • Energiebesparing in de industrie;
  • Gas (LNG en Groen gas);
  • Wind op Zee;
  • Zonne-energie.

Ook is er weer subsidie voor STEM (Samenwerken Topsector Energie en Maatschappij).

Tweede tranche in juni

De tweede en laatste tranche met subsidiemogelijkheden voor de Topsector Energie zal naar verwachting in juni gepubliceerd worden. Deze hebben onder andere betrekking op smart grids, systeemintegratie en een aantal van bovengenoemde thema’s.

Bron: 1-4-2014 RVO

 

Embedded software – Vision 2030

Vision 2030 rapport beschrijft Embedded software markt.

In het rapport beschrijven EU-onderzoeksprogramma’s ITEA en ARTEMIS-IA de embedded software markt kwalitatief én kwantitatief. Het rapport belicht ook de Europese kant van de markt. De programma’s vragen op deze manier meer aandacht (én financiering) voor de embedded software industrie in Europa.

Bron: 25-3-2014 Artemis website

 

LIFE 2014-2017

De Europese Commissie heeft op 19 maart 2014 het werkprogramma van het nieuwe LIFE programma gepubliceerd. Het LIFE programma stimuleert de uitvoering van het Europese natuur-, milieu- en klimaatbeleid in lidstaten.

In het nieuwe werkprogramma staan de budgetten, prioriteiten en financiële instrumenten die de EC de komende vier jaar gaat inzetten. Voor klimaatsubsidies is €449 miljoen beschikbaar, voor milieu en natuur een bedrag van maar liefst €1.347 miljoen. Ook Nederlandse bedrijven, overheden en NGO’s kunnen hier aanspraak op maken, door projecten in te dienen die voor 60% subsidiabel zijn.

Naar verwachting zal de eerste call van start gaan in mei/juni 2014. Dan verschijnen ook de uitgebreide guidelines en criteria.

Bron: 19-3-2014 Europese Commissie

MIT-regeling € 32 miljoen

Voor de regeling MKB Innovatiestimulering Topsectoren (MIT) is er in 2014 € 32 miljoen beschikbaar. Dat is ruim 50% meer dan vorig jaar. Toen deden 1.700 mkb’ers een beroep op de MIT-regeling.

Voor het eerst stellen de provincies Noord-Brabant en Limburg ieder € 1 miljoen beschikbaar. Dit doen zij om mkb’ers in hun provincies te ondersteunen. Met hun MIT-bijdrage versterken de provincies de voor hen strategische topsectoren; High Tech Systemen voor Brabant en Agri&Food en Tuinbouw voor Limburg.

MIT-regeling

Met de MIT-regeling ondersteunt het ministerie van Economische Zaken mkb-ondernemers bij hun innovatieve activiteiten. Zo kunnen zij subsidies aanvragen voor onder andere kennisvouchers, haalbaarheidsstudies en R&D samenwerkingsprojecten.

Ondernemers kunnen vanaf 15 april 2014 gebruikmaken van de regeling.

Bron: 17-3-2014 RVO

 

Horizon 2020 innovatieve ICT in de maakindustrie

Europa streeft naar een concurrerende maakindustrie en ondersteunt daarom innovatieprojecten voor en door het high-tech mkb.

Heeft u behoefte aan innovatieve ICT in uw ontwerp- of productieproces, of ontwikkelt u de technologie, dan biedt het initiatief ICT Innovation for Manufacturing SMEs (I4MS) mogelijk kansen.

Internet, robotica, sensoren, lasers: inzet van nieuwe ICT verandert de maakindustrie. Dit kan leiden tot intelligentere en efficiëntere ontwerp- en productieprocessen, hoogwaardigere producten en uiteindelijke hogere productiviteit. De EU ondersteunt het bedrijfsleven bij innovatie via het Factories of the Future partnerschap. De financiering komt uit Horizon 2020. Onderzoeksprogramma Horizon 2020 stimuleert onderzoek en innovatie.

I4MS: focus op high-tech mkb

Onder de naam I4MS investeert de Europese Commissie €77 miljoen in 7 projecten. Deze projecten ondersteunen het high-tech mkb bij inzet van vernieuwende ICT. De onderwerpen (en projecten) zijn:

  • Cloud-gebaseerde simulatiediensten (CloudFlow, CloudSME, Fortissimo)
  • Inzet van robots op de werkvloer (EUROC)
  • Sensor-gebaseerde machines (Intefix)
  • Innovatieve lasertoepassingen (Apollo, LAShare)

Bron: 25-2-2014 Europese Commissie

 

Eurostars open voor indiening

Eurostars is een Europees innovatieprogramma voor het MKB dat onderzoek uitvoert. Dat zijn bedrijven die minstens 10% van de omzet of 10% van hun fte’s inzetten voor toegepast onderzoek en experimentele ontwikkeling. Vanaf 1 januari 2014 is Eurostars 2 van start gegaan.

Het ministerie van Economische Zaken ondersteunt MKB-bedrijven die de gelegenheid krijgen op het gebied van internationale samenwerkingsinitiatieven op het vlak van technologische innovatie. EZ heeft het budget voor Eurostars voor de komende 7 jaar verdriedubbeld ten opzichte van de voorgaande periode. Tweede tender sluit op 13 maart

De 1e internationale oproep in Eurostars 2 (call 11) sluit op 13 maart 2014. Het Nederlandse budget in deze oproep bedraagt € 9,25 miljoen. De volgende internationale oproep (call 12) sluit in september 2014.

Bron: 25-2-2014 Europese Commissie

 

ITEA2 open

ITEA2 is een Europees strategisch onderzoeksprogramma voor de ontwikkeling van software intensieve systemen en diensten. Het programma is opgezet om de leidende Europese positie te versterken.

Onlangs is er voor ITEA2 een nationale oproep geopend. Hierin is €9 miljoen beschikbaar gesteld. ITEA2 is bestemd voor Europese samenwerkingsverbanden van bedrijven eventueel aangevuld met kennisinstellingen en universiteiten.

Bron: 20-2-2014 Europese Commissie

 
Back to top